maandag 21 juli 2008

In Polen

Chopin in het park

“Warschau is de geboortestad van Chopin” vertelt de receptioniste van het hostel waar ik mijn eerste nacht in Polen doorbreng. “Daarom wordt er in de zomer elke zondag een pianoconcert gegeven in het park. Het is prachtig, daar moet je echt heen.”
Het is zondagochtend en ik wil net vertrekken uit Warschau, maar ik besluit dat het geen kwaad kan om even langs het betreffende park te rijden.
Als ik aankom is het concert al begonnen. Op een podium zit een pronte dame achter haar vleugel en om haar heen zitten tussen de rozenstruiken honderden mensen stilletjes te luisteren - Poolse families in hun 's zondagse goed en toeristen met afritsbroeken en sandalen.
Hoewel ik er later achter kom dat Chopin niet in Warschau is geboren maar in Zelazowa Wola, een dorpje zestig kilometer verderop, moet ik de receptioniste verder gelijk geven: de muziek is prachtig.

Het Instituut voor Groenten


Zouden er ook nog vriendelijke Polen zijn? Polen die in zijn voor een praatje?
Ik ben er een beetje aan gaan te twijfelen. Tijdens mijn eerste dagen in Polen is het me vooral opgevallen hoe de mensen op straat mijn blik vermijden. Hoe veel mensen liever wegkijken dan me te groeten als ik in mijn beste Pools dzien dobry zeg. Het kan zijn dat het door het weer komt: misschien zijn de Polen ne zoals ik wat chagrijnig door de regen. Of misschien hebben ze gewoon geen idee wat ze moeten zeggen tegen iemand die nauwelijks Pools spreekt. Hoe dan ook, na enkele dagen het begint een beetje eenzaam te worden in het miezerige en ietwat saaie Poolse platteland.
Ook het uiterlijk van het stadje Skierniewice, waar ik maandag 14 juli beland, stemt me weinig positief. Ik zie vooral veel lelijke betonnen flats en het centrale marktplein is weliswaar niet lang geleden gerenoveerd, maar ligt er zeer kil en levenloos bij. En dat terwijl Skierniwice op mijn kaart staat aangegeven als een 'bezienswaardig'.
Als ik me er al bij heb neergelegd dat het stadje me naast een goede supermarkt en een verloederd Soviethotel weinig te bieden heeft, stuit ik toch op een gebouw dat mijn aandacht trekt. Het is een statig gebouw omgeven door netjes onderhouden bloembedden in het midden van een park. Het terrein rond het gebouw is omheind, maar de hekken staan open en ik besluit naar binnen te gaan. Ik weet niet zeker of dit wel de bedoeling is, maar ik gok erop dat ik het vanzelf wel zal merken als mijn aanwezigheid niet gewenst is.


Met behulp van mijn woordenboek probeer ik het plakaat naast de deur van het gebouw te vertalen. “Instituut voor Groenten” - weet ik ervan te maken. Daar schiet ik maar weinig mee op. De deur van het gebouw staat open en een beetje aarzelend besluit ik naar binnen te gaan. Nu ik hier eenmaal ben, wil ik ook weten wat dit voor een gebouw is.
De dame bij de receptie spreekt geen Engels maar verwijst me vriendelijk door naar het secretariaat. De dame van het secretariaat spreekt ook geen Engels en verwijst me door naar de directeur. De directeur is er echter niet en zo kom ik uiteindelijk bij de bibliothecaresse terecht. Zij vertelt mij met handen, voeten en enkele woorden Engels, Duits en Pools dat ik me bevind in het “Instituut voor Horticultuur”. Hier werken zo'n 150 professoren, promovendi en laboratoriummedewerkers op het gebied van tuinbouw. Dat verklaart de groenten op het plakaat. Het gebouw is in 1608 gebouwd als paleis in opdracht van de toenmalige aartsbisschop van Polen. Eind 17de eeuw viel het paleis in handen van de Russische Tsaar, die zijn broer er liet wonen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog had de Gestapo er zijn hoofdkwartier.
Juist als de bibliothecaresse mij een rondleiding wilt geven, brengt de dame van het secretariaat ons een wetenschapper van het instituut die vloeiend Engels spreekt en graag wil tolken tijdens de rondleiding. De man stelt zich voor als Richard (“Mijn achternaam is te ingewikkeld. Die kan je toch niet uitspreken”) en verontschuldigt zich voor zijn werkkleren die wat zanderig zijn.
Richard begeleidt mij en de bibliothekaresse door de verschillende vertrekken van het paleis - de voormalige biljardkamer, de ontvangstruimte, de kapel, de eetkamer en de slaapvertrekken. Hij toont de ondergrondse tunnel die de eetkamer verbindt met de bijgebouwen van het paleis waarin de keukens gevestigd waren, laat verborgen deuren zien en vertelt dat de metershoge spiegels en de ramen van het paleis zijn gemaakt van Venetiaans glas dat in de zeventiende eeuw speciaal voor het paleis werd geimporteerd. Het glas van de ramen is meer dan een centimeter dik. Volgens Richard waren dit de enige ruiten in de stad die heel bleven tijdens de bombardementen in de Tweede Wereldoorlog.
Richard houdt van sappige details en vertelt met zichtbaar plezier dat verschillende vertrekken in de tijd van de tsaar verboden waren voor vrouwen, maar dat de broer van de Tsaar even verderop een kleiner paleisje liet bouwen voor “de vrouwen” die hij er regelmatig bezocht. “Wat hij daar ging doen weet ik ook niet, hoor!”, lacht Richard. Even later verwijst hij naar het vrouwenpaleis als het hoerenhuis.

“Zie je dat gele spul?” Vraagt Richard, terwijl hij naar het rijk gedecoreerde plafond wijst, “Dat gele spul vind ik misschien wel het leukst van het hele gebouw. Goud. Puur goud.” Maar het goud is niet het enige wat er te zien is. Ook zitten er scheuren in het plafond. Veel scheuren.
“Als het aan de staat lag zouden al deze monumenten zomaar vergaan. We krijgen geen cent voor het onderhoud en proberen de boel zelf zo goed als het gaat te renoveren, Die scheuren komen in het plafond doordat het houtwerk krimpt en uitzet. Dat heb je met van die oude contructies.”

Richard zelf promoveerde aan de universiteit van Poznan en is sindsdien werkzaam in het Instituut voor Horticultuur. Hij werkt er al dertig jaar en staat nu op het punt met pensioen te gaan. Hij heeft veel energie in zijn werk gestopt, maar carriere heeft hij nooit echt gemaakt. “Door politieke en persoonlijke problemen ben ik nooit echt hogerop gekomen. Ik was lid van Solidanosc, zie je. Dat werd niet gewaardeerd”, zegt hij tussen neus en lippen door.

Als Richard me alle kanten van het Paleis heeft laten zien en we bij mijn fiets aankomen nemen we afscheid. “Ik hoop dat je fiets kapot zal gaan en dat het veel zal regenen”, zegt Richard. Als hij mijn verraste blik ziet, voegt hij eraan toe: “Dat is een Poolse manier van afscheid nemen. Het betekent dat ik je een hele goede reis toewens.”


Een spetterende opening


Val ik me daar met mijn neus in de boter: op het marktplein van Rzeszow staat een volksdansgroep in volledige outfit klaar om een demonstratie te geven. De jongens dragen rood-witte pofbroeken en hebben elk enkele pauwenveren op hun hoofd. De meisjes dragen hun haar in twee lange vlechten – haar op heuplengte is kennelijk een selectiecriterium van de dansgroep – en zijn door hun dikke laag make-up nauwelijks uit elkaar te houden.
Even verderop staat een cameraploeg in de startblokken om het evenement vast te leggen. Enkele mensen van de organisatie rennen rond om laatste dingen te regelen. Een groepje officials wordt geinterviewd. Het ziet er allemaal erg belangrijk uit en vanaf een afstandje kijken enkele voorbijgangers verwachtingsvol toe.
Hoe lang de lang de volksdansers al in rijen staan opgesteld, is mij onduidelijk. Vanaf het moment dat ik aankom, duurt het in ieder geval nog tien minuten voordat ze in actie mogen komen. Ondertussen begint enkele mannelijke volksdansers het wachten beu te raken. Ze duwen wat en doen pogingen om elkaar pootje te haken.


Ik voeg me bij het groepje omstanders en vraag aan een jonge man wat er staat te gebeuren. De man antwoordt dat vanavond een dansfestival wordt geopend dat de komende twee weken zal duren. Terwijl hij mij te woord staat, kijkt de man ongedurig om zich heen. Hij voelt zich duidelijk niet helemaal op zijn gemak. Met reden, zo blijkt, want een minuut later komt een hooggehakte blondine op ons af die mij van top tot teen opneemt en de man aankijkt alsof ze wil vragen: “wat moet je met die vrouw?”. De man onderbreekt direct zijn verhaal, slaat een arm om haar heen en loopt weg zonder verder een woord te zeggen.

Terwijl het koppel zich even verderop op een terras installeert, wordt plotseling de muziek gestart en komt de volksdansgroep in actie. De meisjes glimlachen en zwieren in het rond. De jongens stampen hard op de grond, klappen in hun handen en roepen af en toe simultaan 'hoi'. Precies waar ik op had gehoopt.

Na een minuut of twee stopt de muziek net zo plotseling als die was begonnen. De dansers zijn daar duidelijk niet op voorbereid en dansen dapper nog zo'n twintig passen door. De omstanders kijken wat ongemakkelijk toe. De cameraploeg filmt rustig door. Pas als blijkt dat de muziek niet weer wordt ingezet houden de dansers het voor gezien.
Voorzichtig beginnen enkele omstanders te klappen maar het applaus komt niet van de grond. Pas als de dansers alweer hele andere dingen aan hun hoofd hebben - de jongens proberen de vlechten van de meisjes te pakken te krijgen - hebben de officials pas door dat het optreden echt over is. Ze trachten nogmaals een applaus in te zetten maar daarvoor is het al te laat. Noch de dansers noch de omstanders schenken er aandacht aan.

De filmploeg begint de boel op te ruimen. De omstanders gaan ieder hun weegs. De dansers maken een groepsfoto. Ik stap op mijn fiets.

Het dansfestival is geopend.


Koffer met geld


In Nederland kan je werken in de bouw of aan de straat. Misschien kan je er ook wel met tulpen of met molens aan de slag. Wat je ook doet: er staat een koffer met geld tegenover.



Deze poster doet me denken aan mijn vorige verblijf in Polen toen ik onderzoek deed naar tijdelijke arbeidsmigratie vanuit zuidwest Polen naar Nederland. Daar in het zuidwesten stikte het van dit soort advertenties van uitzendbureautjes. Iedereen had er wel een kennis of familielid die in Nederland rozen in dozen stopte, een worstmachine bediende of in de bouw werkte. Hier in het oosten niet. Tijdens deze tocht ben ik nog maar één Pool tegengekomen die mij vertelde in Nederland te zijn geweest, in Amsterdam wel te verstaan. Met tulpen, windmolens of koffers met geld had hij weinig van doen gehad. Op mijn vraag hoe Nederland hem bevallen was, kreeg hij een wazige blik in zijn ogen en glimlachte hij vredig. “Yes... coffeeshops”. En dat was het enige dat hij te zeggen had.


Vegetarisch


De serveerster van een restaurantje in het stadje Sanok heeft mij aangeraden om pierogi te nemen als avondmaal. Ik heb zin in een maaltijd zonder al te veel vlees en omdat dit 'typisch Poolse' gerecht op dee menukaart als vegetarisch wordt bestempeld, lijkt het me een goede keus. Als de serveerster de maaltijd opdient, begin ik eraan te twijfelen of de pierogi wel echt een goed idee waren. Op het bruine bord drijven tien met aardappelpuree gevulde, bruine stukken volkorendeeg in een vijver van kippenvet. Het geheel is gegarneerd met enkele stukjes gebakken vet - ook bruin. Dapper werk ik een paar deegballen naar binnen. “Veel koolhydraten”, houd ik mezelf voor. “Goed voor mijn energievoorziening.” Maar na de vijfde deegbal houd ik het voor gezien. Ik doe mijn energie wel op een andere manier op.


Kalebaslamp


Na een kleine en tamelijk willekeurige steekproef constateer ik dat de kalebaslamp de Poolse markt verovert. In drie restaurantjes waar ik tot nu toe in verzeild ben geraakt, hangen ze: geperforeerde kalebassen met een lamp erin die een sfeervol maar weinig functioneel licht verspreiden.
Enigszins verbaasd door het succes van deze lamp, besluit ik er in het derde restaurantje een foto van te nemen. Meteen komt er een ober op me af. “Ik wil niet dat u foto's maakt van deze lamp”, zegt hij nors.
“Echt niet?”, vraag ik hem verrast.
“Nee, geen foto's.”
Voordat ik hem kan vragen waarom niet, is de ober er alweer vandoor.
Is hij bang dat ik zijn decoratieve verlichting als inspiratie zal gebruiken en de kalebaslamp ook in andere delen van Europa zal introduceren? Vreest hij ervoor dat dat afbreuk zou doen aan het originele karakter van zijn eigen cafe?
Ik denk zelf niet dat het zo'n vaart zal lopen en stel daarom bij deze stel ik aan u voor: de kalebaslamp.

Een alternatieve huizenjacht

Marek en Aleksandra zijn in zuidoost Polen op zoek naar een mooi, verlaten, houten huis. Een huis om te kopen, af te breken en vervolgens mee te nemen naar midden Polen om het daar neer te zetten op een stuk grond dat Mareks vader hen ter beschikking heeft gesteld.
Ik ontmoet het jonge stel vlak bij de Pools – Slowaakse grens. Marek en Aleksandra zijn geinteresseerd in iedereen die ze tegenkomen en ik ben prettig verrast door hun open houding – Marek is de eerste Pool die mij geheel op eigen initiatief aanspreekt.
We besluiten samen te picknicken. Marek en Aleksandra hebben zelfgekweekte tomaten en komkomers bij zich in een koelbox annex uitklapbare picknicktafel. Ik lever mijn bijdrage met brood, worst en chocolade.
Tijdens de picknick vertellen Aleksandra en Marek over hun reis en hun huizenzoektocht. ze willen graag een houten huis omdat zo'n huis zo mooi en gezellig is, omdat het gezond is om in te leven en omdat het niet duur is. “Je hoeft niet meer dan 5000 zloty [zo'n 1400 euro] kwijt te zijn”, zegt Aleksandra.” Voor die prijs zet je niet zelf een huis neer.”
Een echt geschikt huis zijn ze nog niet tegengekomen tijdens hun zwerftochten over het platteland. De meeste huizen waren te vervallen om mee te nemen en op te knappen. Wel hebben ze alvast het een en ander gevonden om hun toekomstige woning mee in te richten. Zo kwamen ze in een bouwvallig huis naast een slapende zwerver enkele mooie oude flessen en een halfveroeste lampenkap tegen. Marek laat de aanwinsten met trots zien. “De lampenkap heb ik in het hotel wel flink moeten schoonmaken, maar nu ziet hij er toch best leuk uit, vind je niet? Ik denk dat hij best nog eens van pas kon komen.”
Als we uitgegeten zijn, begint het weer zachtjes te regenen. Net zoals Aleksandra en Marek ben ik het ondertussen gewend en trek ik me er niet al te veel van aan. Bovendien kan mijn dag niet meer stuk: ik had er al niet meer op gehoopt enkele spontane Polen tegen het lijf te lopen, maar met nog maar enkele kilometers te gaan naar de Slowaakse grens is het er dan toch nog van gekomen.

Vaarwel Polen




Schoenzolen en soepblikken

Het laatste wat je in een klein afgelegen dorpje in de noordelijke heuvels van de Slowaakse Karpaten zou verwachten, is een uit de kluiten gewassen Andy Warhol museum. En toch staat het er. In Medzilaborce wel te verstaan, een dorp op elf kilometer afstand van de Poolse grens en op zeventien kilometer van Mikola, de geboorteplaats van de ouders van Andy Warhol.
Het gebouw, dat oorspronkelijk bedoeld was om als gemeentehuis te functioneren, werd in 1991 als museum ingericht en trekt nu soms wel tweehonderd buitenlandse bezoekers per dag. Dat is best veel want Medzilaborce ligt niet bepaald op de toeristische routes.
Sinds de komst van het museum heeft het hele dorp zich een Andy Warhol stijl aangemeten. Er is een Andy pension en een Andy restaurant met Warhol specials op het menu. Bushokjes en zijkanten van flatgebouwen zijn versierd met de felgekleurde Warhol portretten. Enkele overgebleven communische muurschilderingen en standbeelden vallen erbij in het niet.



In het museum zijn niet alleen de beroemde Marilyn Monroe portretten en andere Warholprints te zien, maar ook enkele excentrieke outfits van de kunstenaar, zijn doopjurk, verschillende familiekiekjes, het geboortebewijs van Warhols tante, een bankafschrift van Warhol zelf en een sjaaltje van zijn moeder Julia Warhola. Ook hangen er enkele werken van broer Paul Warhola, die blijkbaar ook kan schilderen. Paul werkt in het dagelijks leven als boer, maar heeft in navolging van Andy's Campbell's soepblikken onder meer enkele Heinz ketchupflessen en tomatenblikken geschilderd.
Medzilaborce vaart er wel bij de aanloop van de toeristen. Het mag niet baten dat Warhol zelf in Amerika is geboren en nooit een voet in het toenmalige Tsjechoslowakije heeft gezet.

donderdag 22 november 2007

Contact met de politie en een vleugje Amerika


Ik ben - helaas - alweer terug uit Marokko. Desondanks nog een paar verhaaltjes.

Politie

Temidden van een nogal verlaten landschap staat een politieman in vol tenue in de brandende zon op een T-splitsing. Er komen nauwelijks auto’s voorbij en het beeld doet nogal surrealistisch aan.
Zou hij hier het verkeer moeten regelen? Of is hij misschien bezig met een snelheidscontrole?
Ik geloof dat je met de Marokkaanse politie liever niet moet spotten en ik houd mijn vragen dus voor me als ik de agent voorbijrijd.

Even verderop op dezelfde splitsing stop ik even om te beslissen of ik rechtsaf – richting Taroudant en Agadir – of linksaf – richting Aoulouz en Ouarzazate – zal gaan. Terwijl ik mijn kaart bestudeer, komt de agent op naar me toe om te vragen of hij misschien kan helpen. Hij blijkt een vriendelijke man van achter in de twintig. We hebben allebei wel zin in een praatje en onder het genot van een banaan, een paar mandarijnen en een slok water vertelt hij mij over zijn werk en ik hem over mijn tocht.
De politieman – Anouar – werkt bij het politiekorps in Taroudant maar komt oorspronkelijk uit Casablanca. Over een kleine maand wordt hij overgeplaatst naar Rabat. Anouar vertelt dat hij vandaag een vrije dag heeft en dat hij de bergen in wil gaan bij wijze van uitstapje. Omdat hij zelf niet zoveel geld heeft, heeft hij besloten om maar te gaan liften. In de afgelopen drie uur heeft hij vijftig kilometer afgelegd. Nog dertig kilometer richting het noorden en dan is hij midden in het hooggebergte. Op dit kruispunt zal hij nog maximaal anderhalf uur blijven wachten. Als dan nog niemand hem mee de bergen in heeft genomen, dan zal hij weer teruggaan naar Taroudant.
Gelukkig heeft Anouar er wel vertrouwen in dat iemand hem zal oppikken. ‘Ik heb niet voor niets mijn uniform aangetrokken. Als je in uniform bent, vertrouwen mensen je sneller en nemen ze je eerder mee.’

Rekenfoutje

Voordat ik uit Aoulouz vertrek, wil ik nog een paar dingen kopen: een prepaid telefoonkaart, wat fruit en een paar doekjes om de ketting van mijn fiets mee schoon te maken. In een klein winkeltje dat is volgestouwd met kookspullen, speelgoed, en allerhande plastic gebruiksvoorwerpen, vind ik de doekjes die ik zoek. De verkoper blijkt ook nog ergens telefoonkaarten verstopt te hebben.
De verkoper is de snelste niet en hij doet er een poosje over om uit te rekenen hoeveel ik moet betalen. Na enig gepeins over optelsommen, noemt de verkoper de prijs. De doekjes blijken iets duurder uit te vallen dan ik had verwacht, maar ik betaal zonder te klagen. Ik heb geen zin om op elk bedrag af te gaan dingen. Je moet je er soms gewoon maar bij neerleggen dat je als toerist een hogere prijs betaalt.

Als ik even later weer voorbij het winkeltje kom – ik heb ondertussen ook mandarijnen en bananen ingeslagen – word ik geroepen door drie mannen die onder het afdak van het winkeltje in de schaduw zitten. Ze wenken me en de verkoper komt naar buiten en vraagt of ik even mee naar binnen wil gaan.
Ik vraag me af wat de bedoeling is van dit gebeuren. Heeft hij me de verkeerde telefoonkaart meegegeven? Ben ik hem nog geld schuldig?

De verkoper rommelt in zijn kassa. Hij haalt enkele munten tevoorschijn ter waarde van ongeveer een euro en drukt me die in zijn hand. ‘Ik had de prijs van die doekjes verkeerd berekend’, licht hij toe. ‘Sorry.’

Water

Fietsend door de bergen word ik vaak om water gevraagd. Ik zorg er altijd voor dat ik voor mezelf een flinke hoeveelheid drinkwater bij me heb, maar kennelijk is de lokale bevolking niet altijd even goed voorbereid op een lange dag onder de brandende zon. Jonge vrouwen die kruiden aan het plukken zijn, herders en lokale fietsers houden me staande door te roepen en een ‘drink gebaar’ te maken.
De eerste die me tijdens deze reis om water vraagt, is een tandenloze man die aan de kant van de weg zit. Ik heb het met hem te doen en ik geef een halfgevulde fles water. Die mag hij houden want ik weet dat ik over tien kilometer door een dorpje kom waar ik water kan krijgen.
Als ik in de dagen die volgen echter steeds vaker om water word gevraagd, ontwikkel ik een nieuwe gewoonte. Ik stop mijn drinkbeker boven in mijn tas en als iemand me om water vraagt, krijgt diegene één beker water. Ik voorkom om deze manier dat de watervragers direct uit mijn flessen moeten drinken of er als vanzelfsprekend met de hele fles vandoor gaan.
Meestal vind ik het geen probleem om te stoppen en wat water in te schenken en vaak bied ik er meteen een mandarijn bij aan, maar soms vind ik die vragende mensen maar irritant. Als ik net midden in een mooie afdaling zit bijvoorbeeld. Of als ik water heb gegeven en er vervolgens geen ‘dankjewel’ van af kan. ‘Neem toch zelf een fles water mee!’, mopper ik dan, ‘Of denk je soms dat ik al die flessen voor mijn lol met me meezeul?’ En knorrig fiets ik verder.
’s Avonds, als ik een slaapplaats heb gevonden, was ik mijn beker goed af en stop ik hem steeds toch maar weer boven in mijn tas. Het is eigenlijk ook maar een kleine moeite om als mobiele bron dienst te doen.


Zoals in de films

Tazenakht is een klein winderig dorp in de uitlopers van de Atlas. Het dorp is omringd door rotsachtige bergen en ligt zelf op een hoogte van ongeveer 1000 meter. Enkele eucalyptusbomen en dadelpalmen vormen het enige groen.
Als ik in Tazenakht aankom, is het bewolkt. De betrokken lucht geeft het dorp een somber uiterlijk. Het doet me een beetje denken aan de beelden uit een westernfilm. Uithangborden klapperen in de wind. Ergens balkt een ezel.
Er is maar weinig leven op straat. De terrassen van de theehuizen zijn leeg. Mannen hebben de capuchon van hun djellaba over hun hoofd getrokken tegen de kou. Alleen bij de bushalte is het relatief druk. Er zijn net twee bussen aangekomen en de conducteurs schreeuwen om het hardst om de aandacht van potentiële passagiers te trekken. ‘AGADIRAGADIRAGADIRAGADIRAGADIR’, roept de één. ‘OUARZAZATOUARZAZATOUARZAZATOUARZAZATOUARZAZAT’, roept de ander. Tassen worden boven op de bus vastgesnoerd en passagiers de bus ingejaagd.
Tazenakht ligt aan de doorgaande weg tussen Agadir – een grote kustplaats in het westen – en Ouarzazate – het centrum van de Marokkaanse filmindustrie – in het oosten. Het dorp Tazenakht stelt op zich maar weinig voor, maar mensen op doorreis kunnen er hun onderdak vinden in drie kale maar goedkope hotelletjes.

Als ik aankom in Tazenakht ben ik toe aan een rustige middag. In dit dorp kom ik in dat opzicht wel aan mijn trekken. Ik ga naar het internetcafé, eet kiptajin met het personeel van mijn hotel, krijg een rondleiding van Musharaf, een Marokkaanse Nederlander die in zijn geboorteplaats op vakantie is, en ga vroeg naar bed.

Tazenakht is niet een plaats op te blijven hangen en de volgende dag stap ik daarom weer op de fiets en rijd ik verder in noordoostelijke richting – richting Ouarzazate. De doorgaande weg waarover ik rijd, is rustiger dan ik oorspronkelijk gedacht had. De weg is niet breder dan drie meter en per uur komen er maximaal vijftien auto’s langs. Het landschap is uitgestrekt, onherbergzaam en verlaten. Af en toe fleurt een kleine oase de boel wat op, maar verder ziet het er nogal guur uit nu de zon niet schijnt.

Tijdens het fietsen houd ik mijn kilometerteller goed in de gaten en na een kleine 50 kilometer kom ik aan op de plek waar ik naar uit heb gekeken. Ik stop voor een klein tankstation. Musharaf had er mij de dag ervoor al op gewezen.
Op het eerste gezicht valt het tankstation niet echt op. De verf van het gebouw is vervaald en afgebladderd, er staan her en der wat autowrakken en het terrein wordt begrensd door een hek van prikkeldraad. Als ik beter kijk zie ik echter – zoals wat Musharaf al voorspeld had – dat dit pompstation niet een gewoon Marokkaans pompstation is. Het terrein is versierd met palen met drankflessen eraan, er staat een houten kruis waar een pop aanvast genageld is, aan de straatkant staan een paar postbusjes die ik nog nergens in Marokko heb gezien en er staat een groot bord met daarop de tekst:

GAS HAVEN

LAST STOP
200 MILES

COLD BEER
.
Nee, dit is geen gewoon tankstation. Ik ben beland op een oude Amerikaanse filmset.

Ik ben kennelijk niet de eerste die bij dit landschap aan de Amerikaanse midwest moet denken.

maandag 12 november 2007

Over eten, fietsen, toeristen en geiten

El Kelaa - Marrakech: Krachtmeting op de fiets en een stevige lunch

De ochtend dat ik naar Marrakech vertrek, wil ik maar niet vooruit komen. De weg is 'vals plat' en de wind komt van voren. Ik ben 's ochtends om kwart over zes vertrokken uit El Kelaa en om acht uur ben ik nog maar zeventien kilometer verder gekomen. Bij een pompstation heb ik een enegierijk ontbijt verorberd (vettige -maar heerlijke- in honing gedrenkte pannenkoekjes) maar het mag niet baten: het schiet maar niet op.
Ik ben niet de enige die hier fietst. Een hele stoet mannen komt me tegenmoet. Die zijn waarschijnlijk allemaal op weg naar hun werk in de stad. De mannen hebben het makkelijk: zij gaan bergafwaarts en hebben wind mee. Vrolijk moedigen ze me aan: 'Bonne chance!' 'Courage! Courage!'

Ik wijt mijn trage tempo nog steeds aan de omstandigheden als ik een ritmisch gekraak achter me hoor. Een oude man op een krakkemikkige fiets is bezig me in te halen. Over zijn achterdrager hangen twee manden die tot de nok toe gevuld zijn met gedroogde kruiden, verse munt, een bak olijfzeep en een wandelstok. Ik weet niet wie er meer kilo bagage met zich meezeult, hij of ik.
Dat deze man harder gaat dan ik, zorgt ervoor dat ik een beetje aan mezelf ga twijfelen. Ik moet hem toch minstens bij kunnen houden! Ik volg hem daarom, op gepaste afstand. Verrassend genoeg blijk ik nu opeens toch meer kracht in mijn benen te hebben dan gedacht. Ik raak op dreef en al snel gaat de man voor me mij te langzaam. Ik steek hem voorbij en nu is het de man die er wat extra vaart achter zet. Lang houdt hij me bij maar al na een poosje wordt het gat groter. Als mijn aandacht echter verslapt, hoor ik plotseling weer het gepiep en gekraak achter me: de man hangt alweer in mijn wiel. Een stuk of zes schoolkinderen op de fiets voegt zich bij ons en zo trappen we gezamenlijk verder de heuvel op.

Even later, als de man is afgeslagen en de kinderen bij hun school zijn aangekomen, houd ik het tempo er in en om tien uur heb ik al 52 kilometer achter me. Nog 52 kilometer te gaan en ik ben in Marrakech.

Als ik voor zessen opsta, verlang ik rond tien uur naar de lunch. Tijdens fietstochten door Turkije wist ik altijd overdadige picknicks samen te stellen, maar hier in Marokko gaat me dat minder goed af. Het brood is best lekker, maar wat betreft beleg kom je er toch wat bekaaid van af: als je in een winkeltje om kaas vraagt, krijg je la vache qui rit toegestopt; vlees neem ik liever niet mee in deze hitte; lekkere chocola is niet te vinden en ik heb geen zin om potten jam mee te slepen. Ik heb het idee van de uitgebreide picknick daarom maar opgegeven. Ik zorg ervoor dat ik steevast een brood, een doosje smeerkaas en enkele bananen bij me heb voor als tussendoortje. Het echte lunchen doe ik liever in een eethuisje langs de weg. Met de hygiëne in die eethuisjes is het vaak nogal twijfelachtig gesteld, maar aangezien er alleen maar verse warme gerechten geserveerd worden, hoop ik dat dat niet zoveel kwaad kan.
Als je om tien uur bij zo'n eethuisje aankomt, zijn de echte lunchgerechten (couscous, tajin) nog niet klaar. Wat er wel te eten is, is altijd een verrassing. Als ik zeg dat ik graag iets zou eten, wijst de kok naar een stomende pan en zegt iets dat ik meestal niet begrijp. Soms vraag ik of ik even in de pan mag kijken. Andere keren zeg ik meteen maar dat ik dat ik wel trek heb in het gerecht - wat het ook moge zijn.

Even later zit ik dan aan een tafeltje linzen, kikkererwten, runds- of schaapsvlees te eten. Zonder bestek natuurlijk, maar met mijn handen en een stuk brood. Ondertussen houdt de kok zich bezig met de voorbereiding van de echte lunch. Hij stookt het vuur op onder de tajins - een soort aardewerken schotels met een puntige deksel - en vult deze stap voor stap met de gewenste ingrediënten: eerst fruit hij de uien, dan legt hij in elke tajin het vlees erbij, dan de voorgekookte aardappels, wat kruiden, wortelen... Telkens als hij de deksels oplicht, komt er een heerlijke geur vrij. Terwijl ik mijn gerechtje eet, krijg ik al trek in mijn tweede lunch.

Ook tijdens mijn tocht naar Marrakech leg ik aan bij een eethuisje. Hier krijg ik schapentong met kikkererwten voorgezet en als de kok ziet dat ik flinke honger heb, biedt hij me ook nog een omelet aan. Een goede voorbereiding op de tweede etappe.



En jawel, rond een uur of elf sta ik alweer op de pedalen. De wind is wat gedraaid en ik vlieg in de richting van Marrakech.

Over de Atlas

Op 9 november begin ik aan mijn eerste bergetappe. Ik ben van plan om het Atlas over te steken in de richting van Taroudant. De weg die ik wil nemen, gaat over Tizi-n-Test, een bergpas van 2100 meter hoog. Sommige omliggende bergen zijn hoger dan 4000 meter. Hoog dus.

Hoe hoger ik klim, hoe minder dorpjes er zijn en hoe minder auto's er voorbijkomen. De auto's die er rijden zijn veelal volgepakte taxi's en stoere four weel drives. In de taxi's zitten mensen uit de dorpen die op weg zijn naar Marrakech of naar Taroudant. Ik maak er een hobby van om te tellen hoeveel mensen er in die taxi's zitten. Twee voorin, vier achterin; drie voorin, drie achterin; drie voorin, vijf achterin. Iedereen die langs de weg staat en zo'n taxi aanhoudt, mag erbij.
In de four weel drives lijkt het mij aangenamer toeven. Daarin hebben de inzittenden de ruimte. Losjes laten de passagiers een arm uit het raampje hangen. Het zijn toeristen die een tour maken door het gebergte. Op een gegeven moment zullen ze de weg afgaan en zich op de onverharde paden begeven. Ze zullen stoppen bij uitkijkpunten en zullen traditioneel theedrinken in een Berberdorp om daarna weer snel door te sjezen in de richting van Marrakech om aan een kamelenrit te beginnen.

Ook ik krijg een stukje mee van de toeristische attracties op mijn route. Ik stop even bij een nomadentent met enkele kamelen ervoor en word uitgenodigd voor een kopje muntthee. Aan deze kant van de Atlas leven helemaal geen nomaden met kamelen, legt de kamelenhoeder me uit, maar de toeristen willen ook wat.
Ik overnacht in een klein bergdorpje, Ouirgane, waar gidsen toeristen mee naartoe nemen, opdat zij het leven van de Berberbevolking kunnen ervaren. Toevallig is er net ook een groep vrolijke Amerikanen aangekomen en samen met hen leer ik echte Marokkaanse muntthee te maken. Een lokale gids neemt me mee op een tocht door de bergen en vertelt me alles wat hij weet over dadel- en granaatappelbomen, de aanleg van een stuwmeer in de vallei en het leven van de Berbers.
Terwijl ik de toerist uithang, ben ik tegelijkertijd echter ook een toeristische attractie op zich. Vanuit de four weel drives word ik gefilmd, gefotografeerd en toegejuicht, terwijl ik de berg beklim. De toeristen in het Berberdorp willen een 'interview'.

Op de tweede dag in de Atlas wil ik de pas Tizi-n-Test bereiken. Dit blijkt echter lastiger dan gedacht. Het is nog zeventig kilometer klimmen en rond half vijf heb ik nog een dikke tien steile kilometers te gaan naar de 'top'. Ik ben moe en wou het liefst willen stoppen om te overnachten, maar er zijn dit laatste stuk geen dorpen of huizen mee. Boven bij de top is er wel een hotelletje. Ik moet dus verder (of terug, maar daar heb ik geen zin in) maar ik ben bang dat het donker zal worden voordat ik aankom. Ik neem daarom maar het besluit om de eerst volgende auto die voorbijkomt aan te houden en te vragen of ik mee kan rijden. Ik had het liefst op eigen krachten de top bereikt, maar op het moment lijkt liften me de verstandigste methode.
Ik heb mijn besluit nog maar net genomen of ik hoor het geronk van een motor. Geluk, want er komen hier nog slechts zo'n drie auto's per uur voorbij. De auto die er aankomt is een pick-up truck met een zwarte ezel in de bak. Voorin zitten twee mannen met baard een djellaba. Na enig aandringen willen ze me wel meenemen. De fiets gaat bij de ezel achterin, de fietstassen op schoot voorin. De cabine van zo'n pick-up truck is eigenlijk te klein voor drie volwassen en vier fietstassen, maar waar een wil is, is een weg en na een paar minuten passen en meten rijden we gezamenlijk richting de top - de twee mannen, de ezel, mijn fiets, mijn tassen en ik. De ezel hangt gezellig met zijn hoofd naast mijn raampje en balkt af en toe melancholisch. Ondertussen probeer ik zo weinig mogelijk tegen de man die naast me zit aan te leunen.
Om vijf uur zijn we boven. Ik word enthousiast begroet door de eigenaar van het hotelletje op de top. Ik ben de enige gast vandaag. Dat er geen schone lakens zijn, dat de deur voor het douchehokje ontbreekt en dat de kamer duurder is dan redelijk, maakt me even niets uit. Ik heb de top bereikt, ik heb een bed en ben gelukkig.

De volgende dag: de afdaling!




Tel de geiten


Dat geiten goed kunnen klimmen, wist ik. Maar dat ik ze ooit bij bosjes in de bomen zou zien zitten, had ik niet verwacht. Hier ten zuidoosten van de Atlas (in de omgeving van Aoulouz) staan een soort notenbomen die erg lekkere blaadjes schijnen te hebben. De geiten eten hier geen gras - dat is er overigens ook nauwelijks - maar blaadjes en klimmen daarom in de boom.
Als je heel goed kijkt, zie je op deze foto negen geiten: eentje verscholen achter de boom, eentje op de achtergrond twee op hun achterpoten en vijf in de kruin.

dinsdag 6 november 2007

Een eerste indruk van Marokko

Sinds vrijdag 2 november fiets ik met veel plezier door Marokko. Er zijn alweer heel wat verhalen te vertellen, maar omdat ik nogal wat moeite heb met de Arabisch-Franse toestenborden houd ik de tekst nu even kort. Om toch een indruk te geven, zijn hier alvast enkele fotootjes.


Op twee november vertrek ik om 17:30 op de fiets van het vliegveld van Casablanca. Even later ben ik in het nabijgelegen stadje Deroua op zoek naar een hotel. Ik kom er al snel achter dat er in het stadje helemaal geen hotel is. Mouna en Said, een echtpaar dat ik aanspreek tijdens mijn zoektocht, nodigt me echter uit om bij hen thuis te eten en te overnachten.
Op de foto zie je de vier kinderen van Said en Mouna. Van links naar rechts: Youssef, Yahya, Hajar en de kleine Issmail. De kindere zijn speciaal voor de foto in hun zondagse (of beter gezegd, vrijdagse) kleren gestoken. Issmail draagt de kleren die hij op zijn besnijdenis aanhad (let vooral op de mini-fes).

Ook op drie november kan ik eerst geen slaapplaats vinden. Campings zijn er niet en er zijn simpelweg minder hotels dan verwacht. In Ben Ahmed, het stadje waar ik wil overachten, kan ik, na hulp en bemoeienis van enkele voorbijgangers, politieagenten, de politiecommissaris, de burgemeester en enkele andere hooggeplaatste heren, uiteindelijk terecht in een meisjesinternaat. Bijna alle 186 meisjes zijn naar huis vanwege het lange weekend (6 november is een nationale feestdag) maar vijf vijftienjarige meisjes zijn gebleven. Na het eten (we eten samen pittige vermicelli uit een grote schaal) doen de meisjes zang- en klapspelletjes onder leiding van juffrouw Amal. Juffrouw Amal is de 'begeleidster, vertrouwenspersoon, vriendin en moeder' van de meisjes.
De meisjes en juffrouw Amal noemen mij Mademoiselle Sara en voor het slapen gaan krijg ik van ieder twee kusjes.
De vrouw met de groene hoofddoek op de foto is juffrouw Amal. Een van de meisjes heeft ook mij op creatieve wijze een hoofddoek omgeknoopt.
Het landschap waar ik doorheen fiets is tot nu toe zeer uitgestrekt, ruw en soms wat onherbergzaam. Uren achtereen fiets ik door steenvlaktes af en toe onderbroken door een echte oase of een souk, een marktplaats. Het is prachtig, maar ook wel erg heet en droog. Ik sta daarom voortaan om zes uur op om de koelte van de ochtend mee te pakken.



Op vijf november beland ik weer in een soort meisjesinternaat. Hier wonen oudere meisjes die naar een hogeschool in het stadje El Borouj gaan. Het is erg gezellig op de slaapzaal. De meiden geven een buikdansdemonstratie, epileren elkaars wenkbrauwen en maken henna tattoos. Ook mijn hand is nu versierd. Op de foto zie je mij (met vermoeid en verbrand hoofd) in de djellaba van Hayat. Hayat, die tevens mijn hand versiert heeft met henna, staat rechts van mij. Links staat Fatima, hiphopster en buikdanseres.



Ik op de fiets op weg van El Borouj naar El-Kelaa-des-Sraghna. In El Kemaa heb ik tot mijn grote vreugde een hotel met airco gevonden, waar ik vannacht heerlijk ga slapen. Morgen vroeg op weg naar Marrakesh.


Een souk 'na sluitingstijd' in El-Kelaa-des-Sraghna. Overdag komen hier de boeren uit de omgeving naartoe om hun groente en fruit te verkopen.

vrijdag 24 augustus 2007

Over de kop

Mijn relatie met Altrix (zie vorige bericht) is sinds afgelopen woensdag ietwat bekoeld. Ik was net op weg naar Rasinari voor een interview met de burgemeester toen Altrix achterrem het begaf op een steil landweggetje. De voorrem deed het nog wel en ik vloog over de kop.
Gelukkig ben ik er beter vanaf gekomen dan bij mijn laatste valpartij in Turkije, nu drie maanden geleden. Het vervelendste is dat mijn linkerarm, die net genezen was van de vorige kneuzing, nu opnieuw gekneusd is. Verder heb ik er alleen enkele blauwe plekken en schaafwonden aan overgehouden.

Mijn gastvrouw heeft me, na onderzoek met behulp van een wichelroede, enkele homeopathische middeltjes toegediend. Of het aan deze middeltjes of aan iets anders ligt weet ik niet, maar ik voel me nu, twee dagen na de val, al een heel stuk beter

Dat het voorlopig niet verstandig is om te fietsen, was meteen duidelijk en het kostte me wat moeite om eraan te wennen dat het vrije-fiets-gevoel even van de baan is. Maar goed, met mijn benen is niets mis. Voorlopig wandel ik dus :-)

maandag 20 augustus 2007

Enkele fotootjes

Altrix, Hans en Detlef


Enkele dagen nadat ik in Roemenie ben aangekomen, heb ik een mountainbike gekocht. Een hemelsblauw gevaarte van Hongaarse makelij dat de naam 'Altrix' draagt. Altrix blijkt al na het eerste ritje door de regen een aanleg tot roesten te hebben en ook het schakelen gaat niet altijd even vlotjes, maar ondanks deze kleine gebreken ben ik dolgelukkig met mijn nieuwe vervoersmiddel. Het openbaar vervoer hier in de regio is erg beperkt en de bergen nodigen uit tot fietsen.
Vrolijk scheur ik daarom vanuit Cisnadioara, het dorp waar ik nu woon, naar het internetcafe in Cisnadie (vier kilometer bergafwaarts), naar Rasinari (tien kilometer heuvelop, heuvelaf) en naar Sibiu, de European Capital of Culture 2007 (zo'n 15 kilometer verderop). Ik voel me zo vrij als een vogeltje.



Als ik op een dag twee Duitse vakantiefietsers, Hans en Detlef, tegenkom en ze me vragen of ik niet een stukje met hen mee wil fietsen, kan ik de verleiding niet weerstaan. Ik besluit twee vrije dagen op te nemen en mee te fietsen richting de hoogste pas van Roemenie in het Fagaras gebergte. Mijn Altrix kan zich niet bepaald meten aan de hybrides van Detlef en Hans, maar desondanks doorstaat hij de tocht kranig.







Hans en Detlef bestuderen de kaart. Links in beeld: Altrix.



Links:
Detlef doet de afwas


Rechts:
Hans eet een kilo bramen








Michelsberg
Cisnadioara is de Roemeense naam van het dorpje waar ik nu woon. De meeste inwoners noemen het dorp echter bij zijn oorspronkelijke Duitse naam: Michelsberg. Het dorp is in de 12de eeuw gesticht door de Saksen die destijds vanuit het gebied rond Luxemburg naar Transylvanie, ofwel Siebenburgen, emigreerden.
Lange tijd was Michelsberg een dorp waar de Saksen de overgrote meerderheid vormden. Er trouwde wel eens iemand met een Roemeen of met een Hongaar, maar de spreektaal in het dorp was en bleef Saksisch, een dialect van het Duits dat op het Luxemburgs lijkt. Op school werd in het Duits onderwezen. Roemeens was slechts één van de vreemde talen in het lespakket.
Pas na de revolutie in 1989 kwam er verandering in de samenstelling van de dorpsbevolking. Veel Saksen hadden het wel gezien in het door armoede geteisterde Roemenië. Ze pakten hun spullen bij elkaar en vertrokken naar Duitsland. Sommigen behielden hun huis in Michelsberg, anderen verkochten de hele handel.

Op zondagavond (05-08) ontmoet ik op straat een groepje vakantiegangers. Ze wonen in Duitsland maar zijn hier geboren. Bijna elke zomer komen ze terug naar Michelsberg om vakantie te vieren. Het groepje vakantiegangers bestaat uit drie mannen en een vrouw. Allemaal zijn ze rond de dertig. Ze waren nog maar kinderen toen ze naar Duitsland emigreerden maar hun hoofd zit vol goede herinneringen aan hun geboortestreek. Ze vertellen over hoe ze vroeger gingen sleeën in de heuvels, over hoe ze het dorpsschooltje op de hoek van het plein bezochten en over de ruilhandel die er bestond tussen de Saksen in Michelsberg en de zigeuners uit Prislop.
Helaas is het leven in Michelsberg veranderd gedurende hun afwezigheid. Door zachtere winters is er minder sneeuw om op te sleeën, het dorpsschooltje is gesloten en de uittocht van de Saksen heeft de ruilhandel met de zigeuners praktisch doen verdwijnen.
Ondanks het feit dat het leven in het dorp niet meer hetzelfde is als vroeger, komt dit groepje Saksen graag terug naar Michelsberg. En deze vier zijn niet de enigen. Elke zomer weer wordt het dorp overspoeld door voormalige inwoners. Het zijn niet alleen oude mensen die komen, nee, het zijn juist vooral de jongeren die hun geboortestreek bezoeken. Elk jaar weer is het als één grote reünie. ‘In Duitsland zien we elkaar nooit’, zegt Markus, één van de mannen die ik heb ontmoet, ‘daar wonen we verspreid door het land en hebben we allemaal onze eigen levens. Maar als we hier zijn is het altijd weer als vanouds.’
Markus is enkele dagen geleden in Michelsberg aangekomen samen met zijn jeugdvriend Frank. Ze logeren in het huis van Franks ouders, dat ze niet verkocht hebben toen ze naar Duitsland vertrokken. De mannen nodigen me uit voor een barbecue. In de tuin achter het huis zit al een groep jeugdvrienden aan een lange tafel. Er wordt gelachen, gegeten en gedronken. Uit de stereotoren klinkt schlagermuziek. Sommige aanwezigen zingen de tekst zachtjes mee.
'Zo deden we dat vroeger nou ook altijd', vertelt Franks vader, de voormalige timmerman van het dorp die de gasten nu overvloedig van bier en zelfgestaakte schnaps bedient. ' Altijd gezelligheid, iedereen die komen wil, kan aanschuiven. Zo doen we dat hier.'


De klokkenluider van Michelsberg


Frank is als jongen jarenlang de klokkenluider geweest van de evangelische kerk in het dorp. Hij luidde de klok elke ochtend om zeven en elke avond om acht uur en daarnaast op zondagen, bij begrafenissen en bij doopplechtigheden.
Op een avond weten we Frank over te halen om ons een rondleiding te geven door de kerk en de toren te beklimmen. Frank versiert de sleutel van de kerkdeur en even later beklimmen we de kerktoren. Deze is niet bepaald berekend op toeristische bezichtiging: de trapleuningen zijn wankel, de vloerplanken van de tussenverdiepingen zijn ongelijk en je moet oppassen niet met een voet in een gat tussen te balken te schieten. Bovendien valt, als we halverwege de toren zijn, het licht uit en moeten we in het donker verder - het schemert al buiten. Frank kent de toren echter als zijn broekzak. Hij windt nog even de klok op, een van zijn vroegere karweitjes, en dan komen we aan bij de klokken: een klok die automatisch het uur slaat, een kleine klok voor het dagelijkse luiden en een grote klok voor feestdagen.


Frank stuurt een smsje vanuit de klokkentoren


De grote klok

Als we weer terug beneden zijn, vinden we in de opslagruimte voor in de kerk tussen enkele vaandels en een bak met paasversieringen, het kinneke Jezus in zijn kribje. Markus vindt in een van de kerkbanken zijn oude gezangbundel. MARKUS staat er met kinderlijke blokletters in geschreven. Die neemt hij mee, als herinnering. Morgen zal hij er een andere voor in de plaats leggen.

De kortste weg naar Prislop

De kortste route van Cisnadioara naar Prislop (het dorp waar ik onderzoek doe) is door het bos. Als het regent is het beter een andere, minder steile route te nemen. Maar prachtig is het wel!





























Lang leve de televisie!


De inwoners van Prislop lijken soms vreemde prioriteiten te stellen. Daken zijn lek als een mandje, de erven zijn modderig en de hekken staan op instorten, maar geld wordt gestoken in een televisie en een schotel.


Ook Alina heeft een week geleden een televisie cadeau gekregen van haar vader. Als ik haar op een dag bezoek, zitten de kinderen geconcentreerd naar een Amerikaanse soap te kijken.
Tijdens een volgend bezoek, enkele dagen later, staat de tv echter uit.
'Is er iets mis mee?' vraag ik.
'Nee', antwoord Petre, Alina's man. ' Met de tv is niets mis. Het is de schotel die kapot is. Gisteren is de bliksem ingeslagen.'

Op bovenstaande foto zie je links overigens het gemeenschapshuis dat door de Spaanse organisatie is gebouwd, het ziet er prachtig uit maar helaas is het na twee jaar nog altijd niet in gebruik genomen.

woensdag 8 augustus 2007

Een eerste impressie van Prislop

Op pad naar Prislop

Op donderdag 2 augustus beklim ik het pad van Rasinari naar Prislop. Rasinari kan met recht een pittoresk dorpje genoemd worden: kleurrijke huizen met bloembakken, een kabbelend riviertje langs de hoofdstraat, keurig onderhouden waterputten, een gerestaureerde monumentale kerk temidden van een geplaveid pleintje. Prislop, het zigeunerdorp* waarnaar ik op weg ben, ligt slechts drie kilometer verderop in de heuvels. Het contrast met Rasinari is scherp. In Prislop zijn de straatjes modderig en onverhard en bladdert de verf van de huizen. Er is slechts één waterbron waar een flauw stroompje water uitkomt, er lopen varkens, paarden en kippen op straat en de daken van veel de huizen zijn er zo lek als een mandje.
Het pad tussen Rasinari en Prislop getuigt van de overgang van pittoresk naar armoedig. Het plaveisel wordt steeds grover en hobbeliger. Aan de rand van Rasinari houdt de bestrating helemaal op en is weg slechts verhard met een lading steenpuin. Naarmate ik Prislop nader, wordt het pad modderiger en de kuilen dieper. Ik moet er op passen niet uit te glijden of te struikelen.




Uitzicht op Prislop

Ik ben al een keer in Prislop geweest, twee dagen eerder. Die eerste keer bezocht ik het dorp in het kielzog van Lily, Anca (twee vrouwen die in Prislop projecten organiseren en uitvoeren) en Margriet (de water- en sanitatiespecialist van WECF – de organisatie waarvoor ook ik werk). De meeste mensen die ik tijdens dit bezoek tegenkwam, richtten al hun aandacht op Lily en Anca om hen eraan te herinneren dat hun dak nog steeds lekte, dat ze geld nodig hadden voor medicijnen of dat de elektriciteitsaansluiting niet naar behoren werkte. Ik hield me een beetje op de achtergrond om het gebeuren vanaf de zijlijn gade te slaan. Slechts af en toe mengde ik mij in het gesprek: ‘Goedendag’, ‘Hoe gaat het met u?’, ‘Ik kom uit Nederland’, ‘Het is erg warm’, ‘Hoe oud ben je?’, ‘Tot ziens!’. Het feit dat ik nog maar kort geleden begonnen ben Roemeens te leren, beperkte het aantal gespreksonderwerpen aanzienlijk. Dat was toen echter geen probleem: Lily en Anca waren er om het woord te doen.
Deze keer loop ik alleen de heuvel op en ik voel me een beetje gespannen. Zullen mensen het vreemd vinden dat ik alleen door het dorp kom wandelen? Hoe zullen ze reageren? Afstandelijk, ongeïnteresseerd, of juist nieuwsgierig? Sommige mensen zullen me misschien herkennen van het vorige bezoek, maar anderen zullen mijn aanwezigheid waarschijnlijk niet kunnen plaatsen. Alweer een buitenlander in het dorp? Bij wie hoort ze? Komt ze hier om geld te geven? Om daken te repareren? Om een kerk te bouwen?

Zullen mensen mijn aanwezigheid accepteren als ze doorhebben dat ik alleen maak kom om te kijken en om hier en daar een praatje te maken?
Zal de taalbarrière niet te groot zijn om überhaupt contact te leggen?

Vreemdelingen in Prislop

Ik vermoed dat er maar weinig niet-zigeuners zijn die Prislop bezoeken. De meeste Roemenen die ik hier tegenkom raden het ten sterkste af om zelfs maar één stap in een zigeunerdorp of zigeunerbuurt te zetten. ‘Je gaat naar een zigeunerdorp? Alleen? … Wil je dood?’ Sommigen relativeren het gevaar en zeggen: ‘Ach, het zijn ook niet allemaal slechte mensen.’ Wel voegen zij er vervolgens weer aan toe: ‘Maar ik vind je wel dapper, hoor!’
De afgelegen ligging van het dorp maakt een bezoek er ook niet aantrekkelijker op. Het dorp ligt in de heuvels aan een doodlopend pad. Met regen is het pad nauwelijks begaanbaar. Bovendien moet je het pad maar weten te vinden. Er zijn geen borden die de weg naar Prislop aanduiden.

Degenen die wel de weg naar boven wél weten te vinden zijn medewerkers van – hoofdzakelijk buitenlandse – hulporganisaties en particuliere weldoeners. In het dorp, dat slechts 300 inwoners telt, zijn op dit moment drie verschillende organisaties aan het werk. Tot de organisaties behoren WECF (de internationale gezondheids- en milieuorganisatie waarvoor ook ik werk), Codigex (een Roma-organisatie uit Spanje) en Harbour of Hope Ministries International (een organisatie van fanatieke evangelisten uit de Verenigde Staten).
Het zijn allemaal buitenlandse organisaties met buitenlandse medewerkers. Alleen Anca, één van de twee lokale partners van WECF, is een Roemeense.

Lily en Anca, de locale partners van WECF, hebben in Prislop verschillende projecten opgezet. Ze proberen de waterleiding die van een bassin in de bergen naar het dorp loopt te herstellen, ze organiseren cursussen op het gebied van hygiëne en volwasseneneducatie en hebben het elektriciteitsnetwerk in het dorp uitgebreid. Sommige projecten slaan aan, maar de reikwijdte van de projecten blijft meestal beperkt. Aan het volwasseneneducatieprogramma deden uiteindelijk maar zeven mensen mee. Vijf huizen zijn van elektriciteit voorzien.
Codigex, de Spaanse organisatie, heeft een relatief groot gemeenschapshuis de grond uit gestampt. Het staat twee jaar na de bouw ervan nog steeds leeg vanwege constructiefouten, maar Emilio Santos, de oprichter van Codigex, heeft grootse plannen met het gebouw. Hij wil een handjevol vrijwilligers optrommelen om het gemeenschapshuis te bemensen en er cursussen te geven. Het gemeenschapshuis moet een plek worden waar mensen samen kunnen komen en waar ze kunnen leren. Maar eerst moeten de problemen die door de constructiefouten worden veroorzaakt, verholpen worden. De komst van de vrijwilligers en de cursussen zullen dus nog even op zich laten wachten.
De derde organisatie, Harbour of Hope Ministries International, heeft gedurende de afgelopen jaren verschillende gezinnen geholpen door nieuwe daken voor hun huizen te bekostigen, en door mensen soms van voedsel te voorzien. Het verhaal gaat echter dat Keith Hering, de missionaris die Harbour of Hope Ministries in Prislop vertegenwoordigt, slechts die mensen helpt die bekeren tot zijn kerk.
Hoewel mij eerder ter ore was gekomen dat Keith Hering tegenwoordig niet meer actief zou zijn in Prislop omdat hij financieel aan de grond zou zitten, bleek dit gerucht tijdens mijn eerste bezoek aan Prislop onjuist. Hering is ondertussen een nieuw project begonnen: hij heeft een stuk grond opgekocht midden in het dorp en laat daar nu een relatief groot gebouw op zetten. Rond de bestemming van het gebouw heerst nog enige verwarring: de één zegt dat het een kerk zal worden, de ander denkt dat het gebouw bedoeld is als opslagplaats.

Naast deze organisaties is er tenslotte nog een particuliere weldoener in Prislop actief: een Zwitserse arts, Andreas Pfarrwaller, biedt getalenteerde kinderen in Prislop een beurs aan opdat ze na de basisschool naar het voortgezet onderwijs in Rasinari kunnen gaan.

Alles bij elkaar genomen, komen er relatief veel buitenlanders naar Prislop. Ze komen met hun eigen project, met hun eigen pot geld en met hun eigen zakken kleren, bouwmaterialen, lesboeken en snoepjes. De bewoners van Prislop zijn eraan gewend geraakt dat er bij de buitenlanders wat te halen valt. Lily waarschuwt me ervoor:

‘Je moet er rekening mee houden dat de zigeuners altijd op uit zijn om zoveel mogelijk geld uit je te persen. Altijd maar jammeren over hoe hard hun leven wel niet is. Ze proberen medelijden op te wekken en hopen je zo ver te krijgen dat je hen geeft wat ze willen. En als je dan de één iets hebt gegeven, komt er al snel een ander die zich achtergesteld voelt. Die ander zal zeggen dat hij het nog veel slechter heeft dan de degene die je hebt geholpen.’

Volgens Lily voeren veel zigeuners tegenover buitenlanders een toneelstukje op. ‘Het is niet zo dat ze het makkelijk hebben, maar tegenover buitenlanders doen ze alsof hun kinderen geen eten kunnen geven en dat niemand in het dorp hen wil helpen. Dat is gewoon niet waar. Ze hebben wel brood in huis en als wij [de buitenlanders] weg zijn, weet ik zeker dat mensen elkaar te hulp schieten. Ze zijn niet zo hulpbehoevend als ze zich doen voorkomen.’

‘Het leven hier is moeilijk’

Ik kom aan bij het dorp. De huizen zijn opgetrokken uit hout en leem. De daken zijn bedekt met golfplaten, dakteer, of metalen dakbedekking. Daken die recent met metalen platen zijn bedekt, schitteren oogverblindend in de zon. Oudere daken zijn bedekt met een roodbruine roestlaag.
Om de kleine erven hebben bewoners houten schuttingen of hekken van gaas geplaatst.





Een straatje in Prislop na een flinke hoosbui.

Ik ben nog maar net het dorp ingelopen als ik van achter een half geopend poortje ‘Buna ziua, goeiedag!’, hoor roepen. Ik kijk om en zie een dikke, vrolijke vrouw op me af komen. Ik heb haar en haar kinderen tijdens mijn eerste bezoek even ontmoet. Ik geloof dat ze Leana heet.
‘Buna ziua, doamna Leana, ce mai fateti? Mevrouw Leana hoe gaat het met u?’
Leana waggelt een beetje met haar hoofd. ‘Ach, het gaat, het gaat…’ Ze opent het poortje wat verder en laat me zien dat ze bezig is met de was. Op het erfje staat een oude witte wasmachine. De machine zit eruit alsof hij het al lang geleden heeft begeven. Leana bevestigt mijn vermoeden. ‘Met de hand’, zegt ze lachend, ‘de machine is stuk’ – en ze laat zien dat ze het reservoir van de wasmachine als wasteil gebruikt.

Leana heeft me binnen gevraagd. We zitten op de bank in de woonkamer, een kamer van ongeveer drie bij vier meter waarin naast twee slaapbanken slechts een kachel en een kleerkast staan. Aan de muur hangen twee wandkleden. Op het ene is Jezus afgebeeld met een lammetje over zijn schouders, op het andere is een grote moskee aan het water te zien. Ik vraag me af hoe die moskee in Leana’s huisje is beland.
Leana’s kinderen komen binnen rennen. Twee mooie kindjes met smerige oude kleren aan. Samuel is drie en zijn zus Elizabeta is wat ouder, vijf jaar. Beide kinderen komen bij ons op de bank zitten. Elizabeta kijkt geïnteresseerd mee in de woordenboekjes waarin ik af en toe een Roemeens woord opzoek, Samuel wipt een beetje op en neer.

Nu we binnen zitten, lijkt Leana’s stemming te zijn omgeslagen. Ze zucht, en zegt: ‘Het leven hier is moeilijk, heel moeilijk.’
Ze geeft mij even tijd om het woord greu ­– ‘moeilijk’ – op te zoeken in mijn woordenboek en vertelt vervolgens dat haar man een jaar geleden overleden is, dat ze zelf last heeft van hartkloppingen en dat haar zoontje Samuel ziek is.
‘Wat heeft hij dan?’, vraag ik.
Als antwoord beeldt Leana de ziekte van haar zoontje uit: ze doet alsof ze flauwvalt, gaat vervolgens rechtop zitten en laat zich dan weer achterover vallen op de bank.
Slaapziekte? Pfeiffer? Epilepsie? Ik weet niet op welke ziekte ze doelt, maar ik knik meelevend. Wat erg allemaal.
Leana knikt met me mee. ‘Heel moeilijk’, zegt ze, ‘en ik heb geen geld voor medicijnen. Geen geld voor medicijnen, geen geld voor eten...’ Leana schudt bedroefd het hoofd. Dan kijkt ze me aan. ‘Heb jij misschien iets lekkers bij je voor de kinderen? Een snoepje, of zo?’
Ik zeg dat het me spijt, maar dat ik niets bij me heb.

Terwijl ik bij Leana op de bank zit, realiseer ik me hoe voorspelbaar dit bezoek zich ontwikkelt: ik toon me op straat geïnteresseerd in Leana en haar bezigheden. Leana vraagt me naar binnen en neemt me in de privé-sfeer van de woonkamer in vertrouwen over haar moeilijke situatie. Vervolgens is het mijn taak om iets te geven. Nu vraagt ze nog om snoepjes, maar ik voel de volgende vraag, de vraag naar geld al aankomen.
Hoewel ik weet dat Leana het liefst geld zou krijgen, ben ik niet van plan om op dit moment iets anders te geven dan mijn medeleven. Het lijkt me niet dat het geven van geld mijn positie als onderzoeker ten goede zou komen en bovendien weet ik niet of ik überhaupt wel iets zou wíllen geven, nu er van enige wederkerigheid geen sprake is.

Als het me niet lukt om het gesprek een andere wending te geven, maak ik aanstalten om te gaan en bedank ik Leana voor haar gastvrijheid.
Leana ziet haar kans op een extraatje vervliegen en doet een laatste poging om mij te overtuigen van de ernst van haar situatie. Ze haalt een grote blikken doos van een plank aan de muur en begint erin te rommelen. Op het blik zijn dik ingepakte schaatsende kereltjes afgebeeld. Dit is kennelijk de plek waar Leana haar waardepapieren opbergt, want er komen allerlei formulieren, foto’s en documenten in plastic hoesjes uit tevoorschijn. Leana doorzoekt enkele hoesjes en vindt al snel het document dat ze zoekt. Ze geeft het aan mij. Het is een volgetypt a-4tje in het Roemeens. Leana maakt me duidelijk dat dit het bewijs van Samuels ziekte is. ‘Hij is echt ziek’, wil ze ermee zeggen. ‘Hij heeft echt medicijnen nodig en ik heb geen geld.’
Ik bestudeer het document nog even en geef het dan terug aan Leana.
Samuel zelf zit ondertussen op de bank met de foto’s te spelen. Hij husselt ze door elkaar en kraait van plezier. Als hij mij ziet kijken, houdt hij zijn handje omhoog en vraagt: ‘Bombo? Snoepje?’

Als Leana begrijpt dat ik niet van plan ben om geld te geven, begeleidt ze me teleurgesteld maar gelaten over het erf naar de straat. Bij de kapotte wasmachine, vraagt ze me of ik nog eens langs zal komen in Prislop. Op mijn bevestigende antwoord nodigt Leana me uit om nog eens langs te komen.
Ik zie er al naar uit.

‘Van mij!’

In plaats van verder door het dorp te gaan dwalen, besluit ik bij Manuela langs te gaan. Manuela is een meisje van een jaar of achttien dat Engels probeert te leren. Ik heb haar tijdens mijn eerste bezoek even ontmoet en heb haar voorgesteld dat we elkaar zullen helpen: ik help haar Engels te leren, zij helpt mij met mijn Roemeens.
Helaas blijkt Manuela niet thuis, ze is naar de markt in Sibiu om daar de bosbessen te verkopen die haar familie in het bos heeft verzameld.
Wie wel thuis is, is Manuela’s (groot-?)moeder, een vrouw met kleine venijnige oogjes en met een moedervlek op haar kin waar vier dikke zwarte krullende haren uitsteken. Ook haar heb ik tijdens mijn vorige bezoek al gezien. Die keer begon ze, op het moment dat ze Lily zag, te jammeren. Het ging over haar tanden, hoorde ik achteraf, over haar tanden die ze verloren was en over dat ze nu geld nodig had voor een prothese. Jammeren is precies het goede woord voor wat ze deed: met een hoog stemmetje, alsof ze half in tranen was, bleef ze maar jengelen. Toen Lily niets wilde geven gooide ze het op een andere toer. ‘Je ziet er zo mooi uit, Lily, je lijkt wel dertig’, zei ze terwijl ze Lily over haar wang aaide.
‘See, now she is trying to butter me up’, was Lily’s enige reactie. Lily is voor in de vijftig.

Als Manuela’s moeder mij ziet, begin ze niet te jammeren. Nee, ze bespaart zich de moeite en vraagt direct of Lily ook in Prislop is.
Als ik antwoord dat ik alleen ben, wrijft ze duim en wijsvinger tegen elkaar en zegt agressief ‘Doamna Lily, mevrouw Lily’. Ik begrijp dat ze vraagt naar het geld voor haar tandprothese.
Ik schud van nee. Ik heb geen geld voor haar meegenomen.
De vrouw dringt nog wat aan, maar als ze merkt dat ik niet te vermurwen ben, richt ze haar aandacht op de woordenboekjes die ik in mijn hand heb. Zonder te vragen pakt ze ze van me af. ‘Voor Manuela’, constateert ze.
‘Hee!’, roep ik kwaad. Ik wijs naar de woordenboekjes en tik me op de borst. ‘Van mij!’ Eerst weigert ze de boekjes terug te geven, maar als ik blijf aandringen reikt ze me de boekjes onwillig aan.
Ik zeg dat ik een andere keer terugkom om Manuela te spreken en maak me dan snel uit de voeten.

‘Tafelkleed, raam, Nivea, bank’

Even verderop in de straat heeft zich een groepje mensen verzameld: één man met een baby op de arm, enkele vrouwen en een paar kinderen. Leana staat er ook bij. De man met de baby heb ik eventjes gesproken toen ik op weg was naar Manuela. Hij is degene die me nu gebaart te komen.
Als ik bij het groepje aankom word ik aangesproken door een vrouw die gekleed gaat in een mintgroene joggingbroek en een wit kanten hemdje.
‘Do you speak English?’, is het eerste dat ze me vraagt.
De vrouw, Alina, blijkt één van de weinige inwoners van Prislop te zijn die Engels spreekt. Als ik bevestigend antwoord op haar vraag, snelt ze naar binnen om haar woordenboek en haar Engelse leerboek te halen, zodat ik deze kan bekijken. In het leerboek staat op de eerste blanke pagina iets in het Roemeens geschreven. Het tekstje is ondertekend door Andreas Pfarrwaller, de Zwitserse arts die getalenteerde kinderen in Prislop ondersteunt met een beurs. Kennelijk voorziet hij mensen ook van leerboeken.
De tweede vraag die Alina me stelt, is: ‘Are you a Christian?’
Bij deze vraag moet ik meteen denken aan Mr. Keith en zijn missie en Prislop. Is Alina één van zijn bekeerlingen?
Als antwoord zeg ik: ‘een beetje maar’. Het is een leugentje dat ik op reis zo vaak gemaakt heb dat het er zo uitfloept. Tijdens eerdere reizen in Turkije kreeg ik steeds weer verbijsterde reacties als ik zei dat ik geen specifieke religie aanhing. Daarom heb ik me maar aangewend om te zeggen dat ik katholiek ben maar dat ik maar zelden naar de kerk ga.
Hier was zo’n leugentje helemaal niet nodig geweest. Hier in Roemenië is het niet vreemd om niet gelovig te zijn.

Alina lijkt me een vriendelijke vrouw. Ik ga daarom graag met haar mee als ze me binnen vraagt. Het blijkt dat de man met de baby op zijn arm Alina’s echtgenoot is. Hij heet Petru en de baby Eduardo.
Het huis van Alina en Petru bestaat uit één kamer. De kamer is slaapkamer, woonkamer en keuken in één. Een badkamer of washok heeft bijna niemand hier. Als mensen zich al wassen, gebeurt dat op het erf, denk ik.
Zoals bij Leana thuis, staan ook in deze kamer twee slaapbanken en een kleerkast. In de ene hoek is een kachel ingebouwd waarop gekookt kan worden en in de andere hoek staat een koelkast. Voor het enige raam in de kamer staat een tafel. Het meest opvallende meubelstuk in de kamer is echter een pronkkast van gelakt hout met onderin laden en bovenin deurtjes met glazen ruitjes. Achter de ruitjes staan versierde glazen en een koffieservies. Naast de koelkast zijn deze pronkkast en de het servies zijn de enige voorwerpen in de kamer die iets van luxe uitstralen.
Alina vertelt met enige trots dat ze drie talen spreekt: ‘Roemeens, Engels en de zigeunertaal’. Die zigeunertaal, het Romani, heeft ze als kind geleerd toen ze nog in Sibiu, de grote stad vijftien kilometer verderop, woonde. Hier in Prislop spreken mensen alleen Roemeens, geen Romani. Engels heeft ze voor het belangrijkste gedeelte opgepikt door als kind en tiener veel Amerikaanse films te kijken. Ze woonde toen nog bij haar oma die een televisie thuis had. Via de televisie heeft Alina ook een beetje Spaans opgepikt. De Spaanse ‘telenovelle’ is in Roemenië heel populair.
In Sibiu bij haar oma was het leven makkelijker, herinnert Alina zich. Daar had ze tenminste stromend water in huis, kon ze televisie kijken en kon ze gemakkelijk aan werk komen.
Alina was zeventien toen ze met Petru in Prislop ging wonen. Sindsdien zijn er tien jaar voorbijgegaan. In die tijd hebben ze drie kinderen gekregen: twee meisjes en een jongen. De meisjes zijn zes en drie jaar oud en het jongetje drie maanden. Het hele gezin leeft, slaapt, eet en speelt in deze kamer. ‘We zijn altijd weer blij als het zomer is’, zegt Alina lachend, ‘dan kunnen we naar buiten.’

Het is best gezellig om hier bij Alina en Petru op de bank te zitten. Ik heb de kleine Eduardo op schoot en vertel waarom ik naar Prislop ben gekomen. Alina vertelt over Mr. Keith die zijn kerk of opslagplaats aan het bouwen is en over de Spanjaard die bezig is met zijn gemeenschapshuis.
Petru, die geen Engels spreekt, neemt de taak op zich om mij enkele woorden Roemeens te leren. Hij wijst voorwerpen in de kamer aan en zegt dan het Roemeense woord: tafelkleed, raam, gordijn, Nivea (hij wijst naar het potje bodylotion bovenop op de pronkkast), bank. Zijn oudste dochtertje, Adina, kijkt mij met grote ogen aan als ik de woorden die haar vader zegt, probeer te herhalen. Enthousiast neemt ze zijn de taak over. In een tweedehands kleurboek dat ze ooit van Anca (de Roemeense hulpverleenster van WECF) heeft gekregen wijst ze figuren uit Jungle Boek aan: tijger, beer, jongetje, slang.
Mijn eerste echte Roemeense les.



Het hele gezin. boven Petru met de kleine Eduardo en Alina met Paula, de jongste dochter. Rechtsonder mijn Roemeense lerares, de zesjarige Adina


In tegenstelling tot de twee eerdere bezoekjes die ik deze dag heb afgelegd, heb ik het gevoel dat ik hier bij Alina thuis min of meer als een gewone gast wordt gezien en niet als een potentiële geldschieter. Ik neem aan dat Alina en Petru wel zullen hebben bedacht dat een vriendschap met een buitenlandse nooit kwaad kan, maar dat neemt niet weg dat hun vriendelijkheid oprecht lijkt te zijn. En bovendien, ik heb zelf ook zo mijn eigen agenda: ik hoop via Alina meer te weten te komen over Prislop en de projecten die er worden georganiseerd.
Slechts één keer vraagt Alina mij om een gunst. Ze vraagt me tegen Lily kan zeggen dat haar dak gerepareerd moet worden. Alina laat me zien dat er gaten in het dakteer zitten en dat de muren vochtig zijn. Als het regent lekt het dak vooral boven de kleerkast. De kleren op de bovenste plank zijn altijd vochtig.
Ik beloof Alina dat ik het bij Lily ter sprake zal brengen, maar zeg er meteen bij dat ik haar niets kan beloven. Ik weet niet of Lily geld heeft en waar ze het aan wil besteden. Alina zegt dit te begrijpen.

Bij het afscheid vraag ik of ik nog eens langs mag komen. Misschien wil Alina mij het dorp laten zien en kan ze me nog eens iets vertellen over het leven hier?
Ik ben van harte welkom. Het liefst moet ik enkele dagen later terugkomen. Petru zal namelijk de volgende dag de bossen in te gaan op bosbessen te verzamelen. Waarschijnlijk zal hij drie dagen wegblijven. Het zou leuk zijn als ik langs zou komen als Petru weer terug was, zegt Alina, dan zou ik meteen een zakje bessen kunnen meenemen.

Even later wandel ik het dorp uit en begin ik aan de afdaling naar Rasinari. Ik ben tevreden over mijn tweede bezoek aan het dorp. De eerste contacten zijn gelegd. Het begin is gemaakt.


* In navolging van iedereen die ik hier spreek – inclusief de zigeuners zelf – gebruik ik hier de politiek incorrecte term ‘zigeuners’ in plaats van ‘Roma’.