dinsdag 14 april 2009

Op Iraanse bodem

Om half een 's nachts landt het vliegtuig van Iran Air op Imam Khomeini International Airport. In het vliegtuig heb ik al mijn hoofddoek omgeknoopt en het wijd vallende gewaad aangetrokken dat ik een week eerder op de Amsterdamse Dappermarkt heb gekocht. Het kledingstuk is babyblauw en heeft iets weg van een nachtjapon, maar het voldoet aan de Iraanse kledingvoorschriften.
Om kwart over een ben ik door de paspoortcontrole heen en weer een half uur later heb ik mijn fiets en mijn bagage op een karretje geladen en sta ik in de rij voor de bank om geld te wisselen. De Iraanse munteenheid, de rial, is buiten Iran niet te krijgen en in Iran kan je niet pinnen of met travelercheques of credit card betalen. Euro's wisselen is de enige optie. Ik wissel vijfhonderd euro en krijg daar zo'n zes en een half miljoen rial voor in de plaats: een stapel splinternieuwe bankbilletten van wel twee centimeter dik.
Rond kwart over twee heb ik een taxichauffeur gevonden die mij met fiets en al naar Karaj wil brengen. Karaj is de voorstad van Teheran vanwaaruit ik mijn fietstocht wil beginnen. Ik heb gehoord dat het verkeer in Teheran een grote chaos is en daar wil ik me liever niet met de fiets inmengen.
Om kwart over drie kom ik aan in het hotel. Mijn eerste nacht op Iraanse bodem.

Manteau



Ik blijf twee dagen in Karaj om wat bij te komen van de reis en wat te winkelen. Er zijn enkele zaken die ik graag snel wil hebben: een iraanse SIM-kaart, een woordenboek Farsi-Engels, een extra wegenkaart van Iran en een manteau, een dunne halflange jas die de meeste vrouwen hier dragen. De SIM-kaart, het woordenboek en de wegenkaart zijn snel gevonden. Naar een manteau moet ik wat langer zoeken. De maatjes zijn zo klein dat dat de XL vaak nog steeds te krap zit. Uiteindelijk vind ik deze jas. Hij is een beetje truttig, maar zit wel lekker.


Op bezoek


In Karaj word ik meteen van alle kanten aangesproken. Mensen willen weten wat ik hier doe en waar ik vandaan kom. Een van deze ontmoetingen loopt uit op een volledig dagprogramma. Mina ontmoet ik in een boekhandel. Ze neemt me mee naar haar huis voor de lunch en stelt me voor aan de hele familie. In de namiddag brengen we een bezoek aan een stuwmeer in de buurt van Teheran. Vanaf deze dag volgt Mina me op de voet. Soms is ze wat bezorgd ("Sara, where are you?") maar meestal krijg ik gewoon een goede dag toegewenst en krijg ik de groeten van de familie.



Onderweg

Taiwan
Honderd meter voor me stopt een auto langs de kant van de weg. De bestuurder en bijrijder stappen uit en gebaren dat ik moet stoppen. “Mogen we met je op de foto?”, vraagt de ene man in het Engels, terwijl de andere zijn mobiele telefoon erbij pakt en begint te filmen.
“Waar kom je vandaan? En waar ga je naartoe? Naar Shiraz? Helemaal op de fiets?”
Ik weet nog niet zeker of ik wel naar Shiraz ga, maar om toch een antwoord te kunnen geven roep ik altijd maar “Shiraz” als iemand me vraagt waar ik naar op weg ben.
“Hoeveel kilometer heb je al gefietst? En hoeveel fiets je meestal per dag? Hoe zwaar is je fiets?” Het begint een waar interview te worden. Af en toe vertaalt de man mijn antwoord enthousiast in het Farsi voor de camera.
“Dit filmpje gaan we opsturen naar Taiwan”, vertelt hij, “Dan kunnen ze daar zien dat er hier toeristen vanuit Europa komen. Een paar weken geleden kwamen we een Zweed tegen. Die was ook op de fiets! In het midden van de winter!” De man schudt lachend zijn hoofd. Die rare toeristen ook.
“Nou goede reis, hè, en bedankt!” De mannen stappen weer in en rijden me even later toeterend voorbij.

Make-up
Terwijl ik een kiwi zit te eten komen er twee meisjes op me af. Het zijn twee studentes, beiden keurig in een zwarte manteau en donkere hoofddoek gestoken. Ze bieden mij chips en cake aan, ik hen een stuk van mijn kiwi en zo ontstaat er een kleine picknick. Half in het Engels en half in het Farsi leggen de meisjes uit dat de één volgende week gaat trouwen en dat de ander al een jaar geden getrouwd is, met een stoere militair.
Ik op mijn beurt toon enkele foto's van mijn familie. Bij de foto van mij en mijn zus roepen zo uit: "You are so simple!” Ik weet niet of ik dat als een compliment moet opvatten. Dan wijzen de meisjes naar mijn gezicht om uit te leggen wat ze bedoelen: "No make-up!"
Dat is geen make-up op heb vinden ze wat vreemd, maar ook wel weer schattig.

Voorbijganger
Er komt een auto langs me rijden. Het raampje aan de bijrijderskant is open. De man achter het stuur heeft een grote zonnebril op en heeft zijn haar glad naar achteren gekamd. “Where do you come from?”, roept hij.
“Uit Nederland”, roep ik terug terwijl ik verder fiets.
“Heel goed... Holland ... Amsterdam!” roept de man. “Wat vind je van Iran?”
Ik roep dat het land me tot nu toe goed bevalt.
“Mooi zo, hoe lang blijf je?”
“Een maand”
Bah bah, che khub, wat goed! Nou, goede reis! Goodbye!”
“Goodbye”
De man zwaait nog een keer en rijdt dan weer verder.

"Why this?"
Een jongeman staat aan de kant van de weg met panne. Kennelijk is er hulp onderweg, want hij staat rustig pistaches te eten en naar muziek op zijn mobiel te luisteren. Hij gebaart me te stoppen. Ik twijfel even, maar besluit dat een kort praatje geen kwaad kan. De man stopt me wat pistaches toe en stelt me de bekende vragen: Waar kom je vandaan? Waar ga je naartoe? Waarom fiets je? Wat vind je van Iran? Als de man begrijpt dat ik uit Nederland kom, zoekt hij een Engelstalig muziekje op zijn telefoon op. Het is een nogal hijgerige balad en ik besluit dat ik maar weer eens aanstalten moet maken om te gaan. Deze ontmoeting moet niet de sfeer van een romantisch onderonsje krijgen.
Al snel blijkt echter dat ik de situatie verkeerd heb ingeschat. De man pakt een slip van mijn blauwe gewaad vast en vraagt in zijn beste Engels: “But mister, why this?”
En ik maar denken dat mijn vrouwelijkheid met die nachtpon aan toch wel als een paal boven water zou staan.

Slaapfeestje

In de bestuurskamer van de universiteit van Eshtehard staat mijn lunch klaar: kipkebab, lamskebab, twee salades, rijst, brood, een blikje pepsi, een alcoholvrij biertje en water. Ik mag dan wel een flinke eter zijn, maar ik weet zeker dat ik dit nooit tijdens een maaltijd op zal krijgen - zelfs niet na een dag fietsen.

Het is nogal overweldigend hoe vriendelijk ik hier ontvangen ben. Ik had mijn zoektocht naar een slaapplaats in Eshtehard al bijna opgegeven. Er bleek geen hotel in het stadje te zijn en hoewel verschillende mannen mij al een slaapplaats bij hen thuis aangeboden hadden, voelde ik me niet op mijn gemak om met een van hen mee te gaan. Dat zou anders zijn geweest als er vrouwen bij waren geweest die hadden ingestemd.
Ik stond mijn fiets alweer op te tuigen om verder te gaan richting de volgende stad, toen een man mij in het Engels aansprak. Hij had mij eerder verteld dat ik beter terug naar Karaj moest gaan als ik een hotel wilde vinden, maar nu kwam hij met goed nieuws. Hij had even met de burgemeester van de stad gesproken. De burgemeester had op zijn beurt weer met de directeur van de universiteit gesproken en die laatste kon mij wel een slaapplaats aanbieden. Zo kwam het dat ik even later achter de auto van de burgemeester aan fietste, op weg naar de universiteit.

Op de universiteit word ik ontvangen door de directeur, meneer Abed, en Arash, een ICT medewerker die vloeiend Engels spreekt en als tolk optreedt. Groepjes studenten komen nieuwsgierig dichterbij en willen heel graag Engels met me praten, ook als ze nauwelijks een woord Engels kennen. Het valt me op dat veel studenten onverwacht hippe kapsels hebben. Sommige jongens hebben lang haar andere een soort hanenkam. Veel meisjes hebben een enorme kuif onder hun conservatieve hoofddoek, anderen hebben kort haar en sommigen hebben het geblondeerd.
Enkele studenten wordt opgedragen mijn fiets met tassen en al de trap op te schouwen en naar de bestuurkamer te rijden. De banden laten smerige vegen achter op hem marmer van de vloer en, hoewel deze onderneming niet mijn plan was, roep ik af en toe maar een verontschuldigend "Bebakhshid! Sorry!"

In de bestuurskamer staan de tafels in een carre opgesteld. Om de tafels staan bureaustoelen die allemaal nog in het folie zitten. Dat zie je hier overal. Stoelen moeten kennelijk zo goed als nieuw blijven en worden daarom met folie en al in gebruik genomen. Dat dat folie na verloop van tijd gaat slijten en in vieze rafels naar beneden gaat hangen, vinden mensen kennelijk niet zo'n probleem. Met de stoelen in de bestuurskamer is het zover gelukkig nog niet. Ze zien er inderdaad uit alsof ze net uit de winkel komen.
In de grote kamer naast de bestuurskamer staat een bed en een kachel. Verder niets. Hier mag ik vannacht slapen. Normaalgesproken is dit de plek van de conciërge, maar die moet voor de gelegenheid in een andere ruimte overnachten.



Na de overdadige lunch in de bestuurskamer trek ik me even terug in mijn eigen kamer. Daar heeft de directeur de straalkachel op de hoogste stand gezet. Iraniers zijn in de regel nogal kouwelijk, geloof ik, want elke slaap- of woonkamer ontploft hier bijna van de hitte. Naast het bed is er een flink overlevingspakket voor me klaargezet: zeker twee kilo bananen, een kilo appels, een kilo sinaasappels, een anderhalve kilo komkommertjes, een zak pistaches, een zak gezouten amandelen, blikjes Pepsi, flesjes alcoholvrij bier en als knal op de vuurpijl een fles Bella Ella waarin volgens het etiket een soort alcoholvrije champagne zit. Ik zal vanavond niet verhongeren.

Het wordt stil in de universiteit. De studenten, meneer Abed, Arash en de rest van het personeel zijn naar huis. Alleen ik en meneer Mohammad, de conciërge, zijn er nog. Ik neem een douche, was mijn kleren en maak mijn bed op met mijn eigen lakens. Mohammad tikt wat verveeld op zijn computer. Het Internet doet het niet. Het lijkt er zelfs op alsof de universiteit helemal geen Internetverbinding heeft. Eerder heeft meneer Abed een speciale kaart voor me gekocht waarmee ik een half uurtje online kon. Daarna viel de verbinding weer weg.

Net als ik aanstalten maak om vroeg naar bed te gaan, komt meneer Abed binnen. Hij heeft een verrassing, zegt hij en hij overhandigt me een gekopieerde dvd. Het is een Amerikaanse film getiteld Pineapple Express. “De originele versie!”, licht meneer Abed enthousiast toe. Hij steekt de dvd in de computer van de conciërge en gebaart me achter het bureau te gaan zitten. Eigenlijk was ik net zo lief in bed gekropen, maar als de film eenmaal draait vind ik het ook wel gezellig. Ik haal de pistaches, de amandelen en het bier tevoorschijn. Het voelt bijna als een slaapfeestje.
Ik ben niet zo'n bierdrinker, maar dit drankje smaakt me best. Eigenlijk lijkt het in niets op bier. De ene variant smaakt naar citroenlimonade, aan de andere variant zit een pijnboompittensmaakje.

De mannen kijken niet mee naar de film – er past maar een persoon achter het bureau – maar meneer Abel komt af en toe informeren of de film me bevalt. Een lastige vraag. Pineapple Express is een nogal platte Amerikaanse komedie die drijft op flauwe grappen over marihuana en sex. Het is een film die zeker niet op de Iraanse publieke televisie zou worden uitgezonden en om eerlijk te zijn is het ook niet mijn favoriete genre. Dat meneer Abed echter de moeite heeft gedaan om een westerse film voor me te regelen, kan ik wel waarderen. “It's very funny”, zeg ik daarom maar.
Juist op dat moment breekt er net een gênant moment in de film aan. De hoofdpersoon is stoned en maakt in zijn roes nogal heftige neukbewegingen. Naar zo'n scène is het niet echt ontspannen kijken met meneer Abed die over mijn schouder meekijkt. Om de aandacht wat af te leiden flap ik er daarom maar de eerste vraag uit die bij me opkomt: “Rookt u ook wel eens?'
Meneer Abed antwoord van nee. Maar hij kijkt wel twee films per dag, voegt hij eraan toe.

Als de film zo'n twintig minuten bezig is, komt meneer Abed aanzetten met een doos bonbonnetjes. Hij blijft de doos voor mijn neus houden tot ik er twee van heb genomen. Vijf minuten later zet hij een doos met fijn versierde koekjes voor me neer. Weer enkele minuten later zegt meneer Abed: “stop the film, dinner is ready.” En ja hoor, het blijkt dat Mohammad in de bestuurskamer een tweede maaltijd heeft klaargezet: runderkebab, rijst, vis, brood, ui, Pepsi en een biertje. Ik had al meer dan genoeg gegeten. Hoe krijg ik dit ooit weg?
Het is inmiddels bijna half elf en meneer Abed kondigt zijn vertek aan. Ik probeer Mohammad zover te krijgen dat hij ook een hapje mee-eet, maar dat wil niet lukken. Wel wil hij het fotoboekje bekijken dat ik van huis heb meegebracht.
Nu meneer Abed vertrokken is voel ik me vrij om naar bed te gaan. Ik zet de film af, ruim de bierflesjes op en duik mijn bed in.



's Ochtends zorg ik dat ik gewassen en aangekleed ben voordat de studenten en het personeel op de universiteit verschijnen. Van vroeg vertrekken is echter geen sprake. Meneer Abed bestudeert mijn kaart, stippelt een route voor me uit, geeft me enkele telefoonnummers en adressen die van pas zouden kunnen komen en zet me vervolgens aan een uitgebreid ontbijt. Arash nodigt me uit om hem en zijn vrouw in Teheran te bezoeken. Mohammad maakt enkele groepsfoto's.

Bij het vertrek wordt ik uitgezwaaid door het aanwezige personeel en enkele studenten. Arash en Mohammad doen me met de auto uitgeleide uit het stadje. Ik ben benieuwd waar ik vanavond weer terecht kom.

“Koop een auto”

Na een lange dag fietsen met veel tegenwind, zit ik in het politiekantoor van het dorpje Danesfahan in het kantoor van de hoofdagent. De haafdagent zit achter zijn bureau te bellen. Hij probeert een slaapplaats voor me te regelen maar het wil nog niet echt lukken. Uit een vod van een adresboekje belt hij wel tien nummers af. Onder zijn uniform draagt hij versleten badslippers aan zijn blote voeten.
Na een dik half uur geeft hij de telefoon aan mij. Een bozig klinkende man die Engels spreekt, maar nauwelijks verstaanbaar is, geeft me te kennen dat ik terug moet gaan naar het stadje Bu'in. Daar is een hotel. “Go to the hotel, sleep there, then go to Tehran to buy a car”, zegt de man. Ik vermoed dat ik dat laatste niet hemelaal goed begrepen heb, maar iets anders kan ik er niet van maken.
“Maar ik wil helemaal niet naar Tehran”, werp ik nog tegen, “daar kom ik net vandaan!”
Maar het mag niet baten. “Vandaag naar Bu'in, morgen naar Teheran”, zegt de stem nogmaals.
Ik geef de telefoon terug aan de hoofdagent. Deze begrijpt gelukkig dat ik liever niet terug wil gaan naar Bu'in, waar ik net vandaan kom, en al helemaal niet naar Tehran.
Ik besluit om van een van mijn hulplijnen gebruik te maken en bel Mina, die ik tijdens mijn tweede dag in Iran heb ontmoet en die vloeiend Engels spreekt. Mina hoort mijn verhaal aan en als ik de telefoon aan de agent doorgeef, legt ze mijn wensen vervolgens hem uit. Ze praten wel tien minuten met elkaar. Daarna is het geregeld. De hoofdagent zal ervoor zorgen dat ik in Danesfahan bij een familie thuis mag slapen.

Een dik uur later kom ik aan in het huis van Aresh en zijn familie. Aresh is een spierbonk van rond de veertig die goed Engels spreekt, aannemer is en daarnaast de eigenaar is van een sportschool annex biljardclub in het dorp. Zijn vrouw is de mooie, vijfentwintigjarige Samira. Samen hebben ze een zoontje van zes: Dany. Dany spreekt vrijwel vloeiend Engels, tenminste, in zoverre als je dat van een zesjarige mag verwachten. Dat komt doordat zijn vader alleen maar Engels tegen hem speekt en hij hem elke ochtend voor de tv zet om Amerikaanse cartoons te kijken. De familie ontvangt Amerikaanse zenders via de satelliet. Dat mag officieel niet volgens de Iraanse wet maar wat niet weet wat niet deert.
Aresh denkt erover om naar Australië te verhuizen of naar Canada. Als het moment daar is, zal zijn zoontje klaar zijn voor de verhuizing.

Aresh, Samira en Dany wonen in het bijgebouwtje van het familiehuis. Het familiehuis wordt bewoond door Aresh moeder en staat open voor alle familieleden die toevallig in de buurt zijn. De begane grond bestaat uit één grote kamer. De vloer van de ruimte is bedekt met tientallen tapijten. tegen de muren staat her en der een kussen of een opgerold matras.
Aresh moeder is er niet. Ze is naar een begrafenis. “Niet van iemand die we goed kennen hoor!", roept Aresh, "mijn moeder gaat elke donderdag naar een begrafenis om te huilen. Dat is een soort traditie hier.”

's Avonds eten we kebab, vers van de eigen barbecue. We eten zittend op de grond en kijken ondertussen wat tv. Op het scherm loopt Ahmadinejad trots als een pauw tussen enkele mannen in witte jassen om één of andere kernenergie-installatie te bewonderen.

Samen met Samira en Dany slaap ik in het bijgebouwtje. Aresh is deze avond verkast naar het familiehuis. Pas in het bijgebouwtje mogen de hoofddoeken af en de manteau's uit. Samira's kapsel ziet er keurig uit. Het mijne niet. De ene helft van mijn haar ligt plat en de rest staat recht overeind. Daar moet ik nog eens een oplossing voor zien te vinden.

's Ochtends komt Aresh voorzichtig aankloppen. Hij heeft brood bij zich voor het ontbijt. Samira laat hem pas binnen als ik mijn hoofddoek om heb. Terwijl ik dapper mijn warme melk mét vel naar binnenwerk, gaat Aresh na of ik alles heb wat ik nodig heb. “Wil je nog iets hebben om mee te nemen? Fruit, water, brood? Heb je een fietspomp? Heb je genoeg geld? Weet je het zeker? Ik kan je geld geven...”

Politie-escorte

Bij het vertrek uit Danesfahan rijden Aresh en ik nog even langs de politie om gedag te zeggen. Als we aankomen staan de agenten de politiewagens te wassen. Het is kennelijk rustig op het bureau op vrijdagmorgen. De hoofdagent geeft me de goede raad om niet zomaar iedereen die ik tegenkom te vertrouwen en om zeker de hulp van de politie in te schakelen als dat nodig is. Zelf zal hij de politie van Ab Garm, waar ik die dag naartoe wil fietsen, op de hoogte stellen van mijn komst, zodat de agenten daar een oogje in het zijl kunnen houden. Vervolgens staat hij er ook op dat zijn agenten mij uitgeleide doen uit het stadje. De agenten blijven met knipperende waarschuwingslichten achter me rijden. Ik vind de situatie eerst wel grappig maar heb er al snel genoeg van om twee politiemannen aan mijn kont te hebben hangen. Na zo'n zeven kilometer maakt de politieauto rechtsomkeert. Ik zwaai de heren na en ga alleen verder.

Brandweer

In het dorp Ab Garm overnacht ik in een brandweerkazerne. Meneer Abed van de universiteit van Eshtehard had hier zo zijn contacten en heeft me een dag eerder het adres van de kazerne gegeven. Ik mag er overnachten in een van de kamertjes waar dienstdoende de brandweermannen slapen.
Op de dag van mijn komst hebben twee brandweerdlieden dienst: Hojad, een vriendelijke vrome moslim van achtendertig met keurige baard en Habib, een breedgeschouderde macho van vijfendertig. Verder heeft ook de tweeëntwintigjarige graafmachinebestuurder Jamal zich bij het gezelschap in de kazerne gevoegd.
Meneer Hojad werpt zich op als gastheer. Hij laat me de brandweerwagen zien en legt de taakverdeling uit: Habib rijdt en Hojad hanteert de brandweerslang. Na een korte rondleiding nodigt hij me uit in het kantoortje voor thee. In het kantoortje staan een bureau, een computer, een tv en twee bedden die tevens als bank gebruikt worden. Ik mag op het bed gaan zitten, Habid kruipt achter de computer en meneer Hojad neemt plaats op de grond naast een megathermoskan waaruit hij thee tapt. Jamal wordt erop uitgestuurd om eten te halen en komt even later terug met kipkebab met rijst en rauwe ui.

Mijn kamertje bevindt zich in een soort container. De wanden zijn geel-wit gestreept en er staan een bed, een gaskachel en een tv. Omdat de brandweerlieden toch niet veel meer te doen hebben dan tv kijken, theedrinken en wachten op het moment dat ze worden opgeroepen, maken de ze de container wat aan kant. Hojad haalt een vochtig doekje over de stoffige tv, veegt het grofste vuil van de vloerbedekking en ruimt de vieze asbakken en theekopjes op. Habib brengt een grote deken voor op de vloer en Jamal spant een lijn over de binnenplaats zodat ik mijn wasje in de zon op kan hangen.
Als we na gedane zaken op het stoepje in de zon zitten, probeert meneer Hojad me het één en ander over de koran te vertellen. Hij is de eerste die mij hier in Iran vraagt of ik gelovig ben. Ik zeg voor het gemak dat ik een beetje katholiek ben. Meneer Hojad kan zich daar wel in vinden, maar denkt dat ik het ook goed zou doen als moslima. Hij geeft me enkele geplastificeerde verzen uit de koran mee. Van Jamal krijg ik een bidketting, eigenlijk als grap, maar meneer Hojad probeert me zover te krijgen dat ik honderd en een keer de naam van god zeg, één keer voor elke kraal.

Ik heb me net even in mijn kamertje teruggetrokken om wat uit te rusten, als Hojad met het bericht komt dat er bezoek voor me is: de hoofdagent van politie en de burgemeester zijn gekomen om polshoogte nemen. Ik doe mijn hoofddoek goed, trek mijn manteau aan en haast me op aandringen van meneer Hojad naar het kantoortje waar de hoofdagent, de burgemeester en een klein gevolg van vier man al klaarzitten. De gasten zitten op de bedden, de brandweerlieden op de grond en ik mag op een stoel plaatsnemen. De hoofdagent neemt het woord en stelt mij met veel te ingewikkelde woorden allerlei vragen in het Farsi. Niemand van de aanwezigen spreekt Engels en Jamal en een agent nemen de taak op zich om af en toe een woord in één van mijn woordenboekjes op te zoeken. Nadat ik mijn volledige reisplan uiteen heb gezet en her en der mijn handtekening heb gekrabbeld, mag ik weer vertrekken.

's Avonds, nadat we nog eens een maaltijd hebben weggewerkt – deze keer bestaande uit een gegrilde kippenbout, rijst en een rauwe ui – komt de burgemeester nog eens langs. Net voordat de burgemeester binnenkomt wijst meneer Hojad me er tactisch op dat dit misschien een goed moment is om mijn hoofddoek wat te fatsoeneren.
De burgemeester heeft zijn vrouw, Fatimeh, meegenomen. Een vriendelijke dame die van top tot teen is gehuld in een zwarte chador. Mij geeft ze direct drie zoenen en biedt me vervolgens de cadeaus aan die ze heeft meegebracht: een sjieke balpen, een grote doos met koekjes, een zakje met chocolaatjes en een zak met gezouten pompoenpitjes. Ik ben wat overdonderd door dit eerbetoon en vindt het jammer dat ik zo weinig terug kan doen of zeggen. Na een kopje thee gedronken te hebben, wordt me duidelijk gemaakt dat Fatimeh met mij mee zal gaan naar mijn kamertje in de container, zodat wij als vrouwen onder elkaar kunnen zijn, terwijl de mannen in het kantoortje zullen blijven zitten. Ikzelf vind dat niet echt een goed plan. Net voordat het bezoek kwam, was ik in mijn kamertje op zoek naar mijn slippers die ik in de verkeerde fietstas had weggestopt. De inhoud van mijn fietstassen ligt over het bed en de grond verspreid. Niet echt de ideale situatie om hooggeëerd bezoek te ontvangen.
Fatimeh doet echter of haar niets vreemds opvalt. We gaan zitten op het kleed en praten met behulp van mijn woordenlijst over koetjes en kalfjes, eten wat koekjes en kijken samen naar een erg langzame film over het leven van een profeet wiens naam ik direct weer vergeet.
Voordat Fatimeh weggaat, houden we nog een kleine verkleedpartij. Ik mag even haar chador aan om te voelen hoe dat zit. De chador is wat aan de korte kant voor mij. De stof komt maar tot halverwege mijn kuit. Fatimeh is desondanks enthousiast en troont me mee naar het kantoortje waar de heren zitten om mijn nieuwe dracht te showen. In het voorbijgaan zie ik mezelf in een spiegel. Ik lijk wel een spook in dit gewaad. Het is leuk om het eens aan te passen, maar gelukkig hoef ik het ding zelf niet dagelijks te dragen.

Een lift



De tocht van Ab Garm naar Razan is mooi maar zwaar. Ik heb flinke wind tegen en de weg soms gaat stijl omhoog. Ik zit net uit te rusten in het stadje Avaj als Aresh, mijn gastheer van twee dagen geleden in Danesfahan, me opbelt.
“Sara, hoe gaat het met je? Waar ben je? In Avaj? daar ben ik ook! Waar ben je precies? Dan kom ik naar je toe!”
Een minuut later komt Aresh er inderdaad aangescheurd in zijn pick-uptruck. Hij is samen met een vriend, Babak.
“Hoe wist je dat ik hier was?”, is de eerste vraag die ik stel.
“Ach, ik moest hier zijn om wat cement op te halen en op de weg hiernaartoe heb ik aan enkele mensen gevraagd of ze een vrouw op de fiets hadden gezien. Een paar mannen die aan de weg aan het werken waren, zeiden dat ze je rond tien uur voorbij hadden zien komen. Heb je zin om mee te gaan lunchen?”

Tijdens de lunch begint het eerst te regenen en dan te hagelen. Het komt met bakken uit de lucht en ik ben blij dat ik binnen zit. Je kan hier makkelijk twintig kilometer fietsen zonder een goede plek tegen te komen om te schuilen.
Aresh raadt mijn gedachten en biedt aan me een stuk op weg te helpen. “Wij brengen je wel naar Razan in de pick-up. Dan kan je daar overnachten en morgen verder fietsen naar Hamedan.”

Jarig

Op mijn verjaardag maak ik flink wat kilometers. Ik wil graag de grote stad Hamedan bereiken om daar enkele dagen uit te rusten. Voor het eerst tijdens mijn reis staat er maar weinig wind en ik heb het gevoel vooruit te vliegen. Het landschap is tijdens deze rit nogal saai, maar omdat het fietsen zo lekker gaat, maakt dat me niet zoveel uit.

Het begint te plenzen. Twee agenten die langs de weg staan om snelheidcontroles uit te voeren, vluchten hun politiewagen in en gebaren mij om ook te komen schuilen. Op de achterbank krijg ik een glaasje warme thee. Ik geef de agenten de koekjes die ik van de vrouw van de burgemeester van Ab Garm heb gekregen. Ik beschouw het als een kleine verjaardagsvisite.

Als ik 's middags in Hamedan aankom, ben ik moe maar tevreden. Ik heb mijn verjaardag dan niet uitbundig gevierd, maar het was een prettige dag met telefoontjes van mijn ouders en mijn zus en smsjes van Mina, meneer Abed en Jamal. Ik ben te moe om mezelf ergens op taart te gaan trakteren. Dat komt morgen wel.

Will u be mine?


's Avonds krijg ik een berichtje binnen van Aresh:
“I'm ur's tonight, will u be mine? I love you, bring me win, you be my win. Happy birthdays to u darlin with best wishes”
Het bericht komt compleet onverwacht en maakt me eerst boos, dan een beetje treurig. Ik heb het te doen met Samira, Aresh jonge vrouw met wie ik drie dagen geleden nog in een kamer geslapen heb. Zou ze weten dat haar man wel in is voor een avontuurtje buitenshuis?
Aresh probeert nog enkele keren te bellen, maar ik neem de telefoon niet op. Ons contact is wat mij betreft beëindigd.

Geen Iraanse


Dat ik geen Iraanse ben, is hier voor iedereen duidelijk. Mensen zien het aan mijn hoofddoek, aan mijn schoenen, aan mijn broek, aan mijn tas, aan mijn lengte en aan het feit dat ik geen make-up draag. Zelf vond ik dat ik met mijn Iraanse manteau al redelijk goed opging in het straatbeeld maar de blikken die ik krijg toegeworpen – ook als ik niet op de fiets zit – spreken boekdelen. Meisjes lopen giechelend voorbij. Jongens kijken me aan, kijken weg, kijken me nog eens aan, zeggen iets tegen elkaar en blijven vervolgens een poosje naar me staan staren.
Vaak wordt er iets geroepen als ik voorbijloop. “Bent u een lerares?”, “Kijk, een toerist!”, “How are you doing?”, “Do you speak English?”
Soms brengt iemand de moed op om op me af te stappen en me direct aan te spreken. Zo komt er, als ik net aankom in Hamedan, een groepje vrouwen op me af. Alle drie dragen ze een zwarte chador. De volgende conversatie volgt:
“Sorry, waar komt u vandaan?”
“Ik kom uit Nederland”
“Wat doet u hier?”
“Ik fiets door Iran.”
“Bent u een vrouw?”
“Ja”
“Ik ben heel blij u ontmoet te hebben”
Dat is wederzijds”
“Dag”
“Dag”
Dan wapperen de vrouwen weer weg in hun chadors. Ze kijken nog even om en zwaaien. Dan hebben ze al hun concentratie nodig om de straat veilig over te steken.

Chador

Een chador lijkt mij een erg onpraktisch kledingstuk. Het is een grote lap stof van die je als vrouw over je heen drapeert om je lichaam te onttrekken aan ongewenste blikken. Als je het goed aanpakt, blijven alleen je gezicht en eventueel je schoenen zichtbaar. Om de lap op zijn plaats te houden bevestig je de lap met een elastiekje achter aan je hoofd en houd je de stof onder je kin met een hand vast. Je houdt dus maar een hand over voor het tillen van je tas – een rugzak dragen lukt al helemaal niet over je chador – het vastpakken van je kinderen, het verzamelen van je boodschappen, etc. Onder je chador draag je dan nog eens een hoofddoek en een manteau.
Ikzelf voel me soms al belemmerd door alleen mijn hoofddoek en mijn manteau. Vooral bij het toiletbezoek. Vrijwel alle toiletten hier zijn hangtoiletten en ik moet er al mijn aandacht bij houden, wil ik er voor zorgen dat er bij het hurken niet een slip van mijn manteau of van mijn hoofddoek ik het toiletgat komt te hangen. Het is een hele kunst om de boel goed op te knopen en ik vraag me af hoe de chadori's dat aanpakken.

Interview

“Wat vind je van de Iraanse vrouw?”, “Hoe wordt Iran in de massamedia van jouw land afgeschilderd?”, “Wat vind je van de Iraanse cultuur, is die goed of slecht?” , “Zou je in Iran willen wonen?” , “Wat vind je ervan dat je als vrouw een hoofddoek moet dragen?”
Het zijn enkele pittige vragen die op me af worden gevuurd. Ik zit op de redactie van de regionale krant Hamedan Payam en word door vijf journalistes in opleiding tegelijkertijd ondervraagd. Toen ik een dag eerder de stad Hamedan binnenfietste, werd ik staande gehouden door de journaliste Samane. Zij had me gevraagd langs te komen op het kantoor. Ik had een kort interviewtje verwacht over het fietsen en de Iraanse gastvrijheid en ben wat verrast door de felheid waarmee er vragen worden gesteld.

Sommige vragen vind ik lastig om te beantwoorden. In de eerste plaats omdat ik geen antwoorden wil geven waarmee ik zelf in de problemen zou kunnen komen en in de tweede plaats omdat sommige vragen zo ongenuanceerd gesteld worden, dat het lastig is om een eerlijk antwoord te geven.
“Wat vind je van de Iraanse cultuur?”, is zo'n vraag. Ik antwoord dat ik als antropoloog heb geleerd dat je vaak niet kan spreken van één cultuur en dat ik het daarom moeilijk vind om die vraag te beantwoorden. “Maar de afgelopen week ben ik wel heel veel vriendelijke mensen tegengekomen en ben ik vaak heel gastvrij ontvangen. Mijn ervaringen zijn tot nu toe dus heel positief”, zeg ik daarom maar.
Op de vraag of ik hier zou willen wonen, antwoord ik dat ik dat waarschijnlijk erg lastig zou vinden. “Ik vind het heel leuk om hier nu te zijn, maar ik ben bang dat ik, als ik hier zou wonen, niet de dingen zou kunnen doen die ik graag zou willen doen. Stel dat ik hier in Iran geboren was en Iraanse ouders zou hebben… ik weet niet zeker of ik dan alleen op reis zou kunnen gaan.” De journalistes moeten lachen en schudden het hoofd. "Dat zou inderdaad onmogelijk zijn.”
Over het antwoord op de vraag “Hoe wordt Iran in de massamedia van jouw land afgeschilderd?”, moet ik even nadenken. Want hoe wordt er in het algemeen eigenlijk over Iran gesproken in de media? De afgelopen maanden heb ik wat meer gelet op de berichtgeving in de kranten. Ik vond het leuk om in het NRC af en toe een achtergrondartikel van Carolien Roelants of Thomas Erdbrink. Tegelijkertijd stoorde het me dat er bij artikelen over Iran vaak erg stereotype foto's worden geplaatst. Zo werd er bij een stuk over de politieke geschiedenis van het land waarin met geen woord gerept werd over de rechten van de vrouw een foto geplaatst van de beruchte zedenpolitie in Teheran: op de foto waren twee vrouwen in chador te zien die een andere vrouw wijzen op haar te weinig verhullende hoofddoek.
Ik probeer de journalistes zo eerlijk mogelijk te antwoorden en zeg: “Als Iran in de Nederlandse media komt, is het meestal omdat er nieuws is over het nucleaire programma, over president Ahmedinejad of over de mensenrechten. Over andere thema's horen we niet zo veel.”
En wat ik van de hoofddoek vind? “Ik ben zelf niet gewend om een hoofddoek te dragen en ik ben er nog niet erg handig mee”, vertel ik. “Ik vind het niet erg om hier een hoofddoek te dragen, maar ik zou er de voorkeur aan geven als vrouwen zelf zouden mogen kiezen of ze een hoofddoek omdoen of niet.” Ik voeg er nog aan toe dat ik van plan ben om in Hamedan een nieuwe hoofddoek te kopen. De sjaal die ik tot nu toe gebruik als hoofddoek glijdt steeds af en ik moet steeds voelen of hij nog wel goed zit. De conservatieve hoofddoek waar je hier iedereen mee ziet lopen is een soort nonnenkap. “Zo'n hoofddoek lijkt me ook wel handig voor op de fiets. Die waait tenminste niet zo snel af.”

Chocolade-slagroomtaart


“Beste Sara, we hebben een verjaardagsfeestje voor je georganiseerd”, de hoofdredacteur van Hamedan Payam heeft het woord genomen. “Je echte verjaardag was gisteren, maar omdat je het toen niet echt gevierd hebt, doen we het vandaag nog eens over.”
Met vrijwel de hele redactie van de krant zit ik in de vergaderkamer. Het is de middag na het interview en de journalistes in opleiding klappen enthousiast als een grote chocolade-slagroomtaart wordt binnen gebracht. Happy Birthday staat er op in vrijwel onleesbare letters. Ik had al een beetje aan voelen komen dat me iets verjaardagsachtigs te wachten stond maar een taart als deze had ik echt niet verwacht. “We hadden er nog een kaars op willen zetten, maar hebben dat maar gelaten omdat we niet zeker wisten of je dat wel leuk zou vinden”, zegt Afsaneh, die naast me zit. Ze reikt me een aardappelschilmesje aan zodat ik de taart aan kan snijden. Eén van de journalisten van de vaste staf maakt foto's en roept: “Deze staat morgen op de voorpagina!”
“Ik vergeet bijna dat we nog een cadeautje hadden”, zegt de hoofdredacteur als de taart half is uitgedeeld. Hij geeft me een pakketje aan. Het is verpakt in rood inpakpapier. “Merry Christmas!”, staat erop. Ik wordt er een beetje verlegen van. Ik ken deze mensen nauwelijks en ze organiseren al een feestje voor me met cadeautjes en al. In het pakje zit een donkergroene hoofddoek, precies eentje die ik wilde hebben.



Tot slot heeft Hoda nog een cadeautje. “Ik wilde het niet geven waar iedereen bij was. Daarom geef ik het je nu pas”, zegt ze, als we al naar de uitgang lopen. “Het is maar een kleinigheidje, maar ik heb er iets voor je in geschreven.”
Het is een toeristisch gidsje voor de provincie Hamedan. “You've done what is my dream. Traveling by bicycle.” Staat er op de eerste pagina.

Voorpagina

De volgende dag staat er inderdaad een fotootje van mij op de voorpagina. Op pagina vijf staat het hele artikel. Ik heb geen idee wat er over mij geschreven is maar voor hen die Farsi kunnen lezen, volgt hier de link:

http://www.hamedanpayam.ir/archives/16171.php

vrijdag 8 augustus 2008

Over vriendelijke voorbijgangers en Poolse taart

Na mijn ontberingen in Oekraïne, voelt Slowakije heerlijk vakantieachtig. De zon schijnt, ik kom vriendelijke mensen tegen en ik hoef geen lastige beslissingen te nemen of kwaad te worden op hotelheksen. Alles lijkt vanzelf te gaan. Ik fiets door de uitlopers van de Hoge Tatra, wandel door het “Slowaakse paradijs”, een natuurgebied vol watervalletjes en hangbruggen, bezoek een ijsgrot, enkele monumentale landhuizen, kerken en pittoreske stadjes.
Ook het vinden van een slaapplaats is makkelijk: sommige dagen kampeer ik in het bos of aan de rand van een meer. Op andere dagen vind ik een internaat dat in de zomer is opengesteld voor toeristen of een goedkoop hotelletje.
Vakantie dus.

Na een kleine week neem ik vanuit Liptovsky Mikulas de trein naar de Tsjechische stad Bohumin om vanaf daar naar het Poolse stadje Krapkowice te fietsen. Daar wonen enkele kennissen die ik wil bezoeken.
Drieëneenhalve week na het begin van mijn tocht in Warschau, neem ik vanuit Opole de trein richting Nederland

Nu schrijf ik nog enkele verhaaltjes en dan is deze reis echt voorbij.



Slowaakse verhalen

In Slowakije zijn veel mensen in voor een praatje. Sommigen spreken Engels, sommigen Duits, sommigen alleen Slowaaks. Van Slowaaks begrijp ik vrijwel niets, maar enkele mensen zijn zo vastberaden om een praatje te maken, dat ze me desondanks in het Slowaaks de oren van het hoofd kletsen.

In een klein dorpje staan twee oudere vrouwen toe te kijken hoe ik wat boodschappen op mijn fiets laad. Ze hebben hoofddoekjes om en ondanks de warmte dragen ze allebei een dik gebreid vest. Na een minuutje komt een van de vrouwen op me af. Van wat ze zegt, begrijp ik nauwelijks iets maar ik vul de betekenis van haar woorden zelf maar in:

“Waar gaat dat heen, jongedame?”, vraagt de vrouw. “Waar gaat dat heen, zo op de fiets?”
“Sorry, maar ik spreek geen Slowaaks. Ik kom uit Nederland”, antwoord ik.
“Nederland? Ach, je komt uit Nederland. Maar waar ga je heen, dan?”
Ik vertel haar de naam van de stad waar ik naar op weg ben: “Spisska Nova Ves”
“Naar Spisska Nova Ves! Poe poe, dat is nog een heel eind. En ben je helemaal alleen? Nee toch? Waar is je man? Of heb je geen man?”
Ik: “Sorry, maar ik begrijp u niet.”
Zij: “Je man, of je getrouwd bent? Ben je alleen?”
Ze steekt één vinger in de lucht en dan begrijp ik haar. Ik zeg: “Alleen, ja.” En steek ook één vinger op.
“Aiaiai, helemaal alleen, maar waarom dan toch? We hadden het er al over, ik en mijn schoonzus. Ja, dat is die vrouw, die daar staat te kijken. We dachten al: die zal toch niet alleen onderweg zijn? Maar zo is het dus. Kind toch. Nou, dat God je moge beschermen. God, begrijp je me? God.” Ze wijst naar de heuvel, waar een kerkje staat. Ik knik en de vrouw vervolgt: “Daar is de kerk. Daar ga ik elke dag naar de mis. Elke dag! Ja hoor. Niks niet oude benen. Elke dag klim ik naar boven. Want daar is ook het kerkhof, hè. Daar liggen mijn man en mijn ouders en mijn schoonouders. Elke dag ga ik er even langs. Maar mijn schoonzus niet. Nee, die heeft het aan haar knie. Zie je? Ja, die knie zit al een hele poos in het verband. Doktersvoorschrift.” De vrouw maakt het zich makkelijk en gaat wat op het zadel van mijn fiets hangen. Ze is klein van stuk en het zadel komt tot iets onder haar oksel. “Mooie fiets, trouwens. Stevig ook. Mijn kleindochter heeft ook een fiets. Ja, zij daar met die roze fiets, dat is mijn kleindochter.” Enkele kinderen die van een afstandje hebben staan toekijken, hebben ondertussen zelf hun fietsen erbij gepakt en cirkelen wat om ons heen. “Het is een lieve meid, maar zo’n waaghals. Ze is er al een flink aantal keer mee gevallen, met die fiets. Blauwe plekken dat ze had. Aiaiai, het arme kind. En huilen dat ze deed! Maar nu fietst ze gewoon weer verder.”
De vrouw raakt nu echt op dreef, maar om haar wat te temperen zeg ik: “Sorry, ik begrijp het niet.”
Zij: “Oh, je begrijpt het niet. Dat ze gevallen was, maar dat ze nu gewoon weer door fietst. Dat was ik aan het vertellen. Een stelletje waaghalzen, dat zijn ze.”
De vrouw kletst nog wat verder. Ik knik af en toe meelevend.
Als ik vind dat het praatje lang genoeg heeft geduurd, zeg ik, bij gebrek aan een betere manier om het gesprek af te sluiten: “dank u wel”.
De vrouw neemt mijn dank knikkend in ontvangst maar kletst, steunend op mijn zadel, nog wat verder. Ik zeg dus nogmaals: “Dank u wel” en maak een vage fietsbeweging en wijs naar de heuvels waarachter ik vermoed dat Spisska Nova Ves ligt. Voorzichtig trek ik ook een beetje aan mijn fiets om aan te geven dat ik die nodig heb om verder te rijden.
Na een poosje begrijpt ze mijn bedoeling. Ze laat mijn zadel los, zegt nog wat over God en geeft me dan een hand.
Ik stap op mijn fiets en zwaai naar de vrouw, haar schoonzus – of wie het in werkelijkheid ook mag zijn – en de kinderen.
Even later zal de vrouw uitgebreid verslag doen van ons gesprek. Ik vraag me af wat zij erover te zeggen zal hebben.


“Je zult toch niet stelen?”

Het is al avond als ik Janina op straat aanspreek en vraag of ze me misschien de weg naar een pension kan wijzen. Ze weet niet direct een pension in de buurt, maar vraagt waar ik vandaan kom en zegt vervolgens dat ik ook wel bij haar thuis kan overnachten. Ze spreekt in het Pools en het duurt daardoor even voordat ik zeker weet of ik haar aanbod goed begrepen heb.
Misschien is Janina zelf wat verrast door haar spontane uitnodiging want als we even later samen richting haar flatje wandelen, vraagt ze me: “Je zult toch niet stelen, hè?” Ik verzeker haar dat ik volledig te vertrouwen ben.

Het tweekamerappartementje van Janina hangt vol met afbeeldingen van Jezus en met foto’s van Janina’s dochter. Die dochter is vorig jaar getrouwd en sindsdien woont Janina alleen. Wat er met Janina’s echtgenoot is gebeurd, is me een raadsel. Ik zie geen foto’s van hem en Janina heeft het niet over hem. Misschien is ze weduwe, maar ik vermoed dat ze gescheiden is. Janina’s appartement is in ieder geval duidelijk een vrouwenhuishouden. In de badkamer hangen over de wasmachine, de badrand en de spiegel kanten bh’s en slipjes in verschillende kleuren. Verder zweven er zes grote poederdozen, een stuk of tien lipsticks, zes haarborstels en twee zakken met krulspelden rond. In de hal staan zeven paar hooggehakte muiltjes op een keurig rijtje.
Als Janina mij vertelt dat ze een dochter van dertig heeft, begrijp ik dat ze zelf in de vijftig moet zijn. Ik had haar op het eerste gezicht tien jaar jonger geschat. Ik vermoed dat ze met deze eerste schatting wel tevreden zou zijn.
Zodra ik Janina’s appartement betreed, neemt Janina kordaat de leiding. Omdat ik haar Pools nauwelijks begrijp, geeft ze met korte bevelen aan wat ze van mij verwacht. “Sara, nu eten.” “Sara, nu wassen.” “Nee Sara, geen slaapzak” – Janina staat erop dat ik in een vers opgemaakt bed slaap. “Nee Sara, vouw dat maar op” – mijn eigen pyjama dien ik niet te gebruiken. Janina heeft één van haar nachtjaponnen voor me klaargelegd. Ik doe keurig wat me wordt opgedragen.
Terwijl ik in de badkamer sta, hoor ik dat Janina met iemand aan de telefoon zit. Uit enkele woorden die ik opvang – Nederland, pension, Warschau, fiets, Oekraïne – begrijp ik dat ze het over mij heeft. Ik kan me best voorstellen dat ze even aan iemand wil melden dat ze een wildvreemde logé in huis heeft.
Janina krijgt nog even de buurman op bezoek (“maak je geen zorgen, hij komt me elke dag brood en melk brengen”, licht Janina zijn komst toe), geeft me enkele eieren en wat brood te eten en zet de buurman weer de deur uit. Dan is het bedtijd. Ik slaap op een slaapbank in een klein kamertje waarin ook Gaia, de achttien jaar oude hond, slaapt. Janina maakt haar eigen bed op in de woonkamer.
De volgende ochtend staan we om zeven uur op, bakt Janina een roerei van wel tien eieren voor het ontbijt en maak ik me klaar om weer op de fiets te stappen. Jammer genoeg staat Janina het me niet toe om een foto van haar te maken. Ze heef haar make-up nog niet op en ziet er niet uit, zo zegt ze.
Even voordat ik weg gaat vraagt ze: “Sara, goed hotel?”
“Goed hotel”, zeg ik. “Heel goed hotel.”


Aan het graf

“Hubert, kijk toch eens wie je vandaag is komen bezoeken. Het is Sara, weet je nog? Uit Nederland.” Dorothea praat zachtjes tegen haar overleden man, terwijl ze een dor blaadje van zijn grafsteen plukt. Dorothea woont pal naast het kerkhof. Het graf van Hubert ligt hemelsbreed maar zo’n dertig meter van haar voordeur. Een rij verderop liggen Dorothea’s schoonouders en schoonzus. Aan de andere kant van het kerkhof ligt Sebastian, Dorothea’s eerste kind, dat zevenendertig jaar geleden vlak na de geboorte overleed. Dorothea vindt het wel prettig de doden dicht bij huis te hebben en ze komt elke dag op het kerkhof. Op sommige dagen gaat ze wel drie keer. Ze harkt de aarde aan, plant nieuwe bloemetjes in het perkje en vult de vaas met snijbloemen die ze zelf kweekt.
Toen ik Dorothea voor het laatst bezocht, april 2005, leefde haar echtgenoot nog. Het is nog maar twee jaar geleden dat hij overleed aan de gevolgen van een hersenbloeding. Nu we bij zijn graf staan, steek ik een kaarsje aan en zet het op de steen.

Drie jaar geleden woonde ik vier maanden in Krapkowice om er onderzoek te doen voor mijn studie antropologie. Ik bestudeerde er de oorzaken en gevolgen van de grootschalige tijdelijke arbeidsmigratie vanuit zuidwest Polen naar Duitsland en Nederland. Overal zag je billboards hangen met de tekst ‘Praca w Holandii’, Werken in Nederland. Iedereen had er wel een familielid dat in het buitenland zijn geld verdiende.
In Krapkowice probeerde ik met zoveel mogelijk mensen te spreken over het onderwerp. Ik woonde het theekransje van de dames van de Duitse minderheid bij, ik ging lunchen in het bejaardentehuis, ik bezocht de priester, gemeenteambtenaren, leraren, scholieren en een sluiswachter, ik hing rond in internetcafés en ik verdiepte me in de plaatselijke ‘sekte’, een gemeenschap van fanatieke evangelische jongeren. Ik ploegde door de sneeuw naar de villa’s, boerderijen en communistische blokken in de omgeving waar mij vaak een warme ontvangst te wachten stond met zelfgehaakte huisslofjes, koffie en taart.
Sinds mijn veldwerk ben ik niet meer teruggeweest in Krapkowice. Aan mijn belangrijkste informanten heb ik af en toe nog een kaartje gestuurd en sommigen heb ik zelfs enkele keren gebeld, maar daar is het bij gebleven. Als ik vanuit Raciborz richting Krapkowice fiets, ben ik benieuwd wat me te wachten staat in het stadje. Wie van mijn kennissen zal er thuis zijn? Zullen ze me direct herkennen?
Het stadje ziet er anders uit nu het zomer is. De ‘blokken’, de flats in de woonwijken van de stad, zien er niet zo grauw uit als ik in gedachten had maar zijn in fleurige kleuren geverfd en zijn omgeven door groene plantsoenen. Tuinen van de losstaande huizen zijn netjes onderhouden en staan vol bloemen. Huizen die enkele jaren terug nog in aanbouw waren, zijn nu voltooid. Op een stuk land dat braak lag is een nieuwe supermarkt verrezen. Verder lijkt alles nog bij het oude.

Als ik onaangekondigd aanbel aan de poort van Dorothea, ben ik blij om te merken dat ze mijn stem meteen al door de intercom herkent. De poort gaat open, ik krijg een omhelzing en Dorothea gaat meteen in de weer om thee te zetten – ze herinnert zich nog dat ik niet zo’n koffieliefhebber ben – en een stuk ingevroren taart te ontdooien.
Dorothea ziet er goed uit. Enkele jaren geleden was ze moe. Ze maakte lange dagen in de keuken van het bejaardentehuis en was ook in haar vrije tijd druk in de weer met koken, tuinieren en allerlei sociale verplichtingen. Regelmatig deed ze haar beklag en vertelde ze hoe ze uitzag naar het moment dat ze met pensioen kon gaan. In Polen kunnen vrouwen die dertig jaar gewerkt hebben op hun vijfenvijftigste met pensioen. Dorothea was toentertijd bijna vijfenvijftig, maar had er nog niet voldoende arbeidsjaren opzitten. Toen de kinderen klein waren, had ze enkele jaren vrijaf genomen om voor de kinderen en haar schoonvader te zorgen. De laatste woonde bij haar en Hubert in huis en was door een hersenbloeding half verlamd geraakt. Naast haar zorgtaken kweekte ze snijbloemen en verkocht ze bloemen in een kraampje aan de straatkant. “Ik nam toen vrij om voor mijn familie te zorgen”, vertelde Dorothea keer op keer, “maar nu ik oud ben betaal ik er de prijs voor. Nu moet ik doorwerken terwijl mijn rug kapot is en mijn ogen het laten afweten.”
De hersenbloeding van Hubert, die wat ouder was dan Dorothea en wel al enkele jaren met pensioen was, zette Dorothea’s leven op zijn kop. Hij lag in het ziekenhuis en kon alleen nog zijn ogen bewegen. Onvermijdelijk dacht ze terug aan haar schoonvader, die na zijn hersenbloeding nog zeven jaar had geleefd. “Hij kon niet meer lopen. En eten – tja, dat ging wel, maar hoe dat eruitzag, wil je niet weten. Hubert heeft toen nog tegen me gezegd. ‘Op zo’n manier zou ik niet door willen leven.’”Hubert zelf stierf na twee maanden in het ziekenhuis te hebben gelegen.
De dood van haar echtgenoot deed Dorothea veel verdriet maar bracht – hoe wrang ook – tevens een voordeel met zich mee. Huberts lijfrente kwam vrij en Dorothea kon stoppen met werken.
Nu gaat ze alleen nog twee maanden per jaar naar Duitsland om daar asperges te verkopen. Het is geen zwaar werk, vertelt ze. “Soms komen er op een dag nauwelijks klanten, maar de baas betaalt netjes uit. Het eten en de accommodatie zijn gratis. Het is echt heel goed geregeld.” Tijdens deze maanden slaapt ze met twee andere vrouwen op een kamer en dat is eigenlijk best gezellig. Misschien gaat ze volgend jaar weer. “Het is net dat beetje extra bovenop de lijfrente van Hubert”, vertelt ze “Waarom zou ik mezelf dat niet gunnen?”


Nog meer doden

Zondagochtend neemt Dorothea me mee naar de mis in het bejaardenhuis. Hoewel ze daar tegenwoordig niet meer werkt, komt ze er nog af en toe om bij te praten met collega’s en om naar de mis te gaan.
In het bejaardenhuis blijkt dat Hubert niet de enige van mijn kennissen is die in de tussentijd overleden is. Ik zie maar weinig bekende gezichten. Zo mis ik de kleine kromme vrouw die keer op keer mij keer op keer vertelde dat ik zo op haar overleden man leek. Als ze mij zag en hoorde dat ik Duits sprak, nam ze me terzijde. “Ik spreek ook Duits! Ik ben hier geboren voordat de Polen kwamen.” Ze fluisterde om te voorkomen dat de andere bejaarden het zouden horen. Ze greep meestal mijn hand – of mijn bil, net welk lichaamsdeel voor haar op ooghoogte was – en vertelde over vroeger: “Ik heb nog in het kerkkoor gezongen. Mooi dat we zongen, prachtig mooi! Maar u, u lijkt zo op mijn man, moet u weten. Hij was kleermaker en hij was ook zo groot.” Dorothea vertelt me dat ze overleden is.
Ook de dame met de baret, het kunstgebit en het gouden horloge is dood. En de man met het lamme been. En de koppoter, een vrouwtje dat zo krom liep dat ze uit niet veel meer dan een hoofd, een stok en een paar benen leek te bestaan.
Tot mijn plezier blijkt dat Magda nog leeft. Magda was altijd wat somber, maar ze was meestal wel in voor een praatje over vroeger. Als ik vraag hoe het met haar gaat zegt ze opvallend vrolijk: “Een beetje goed en een beetje slecht” Ik heb het gevoel dat ze me niet herkent, maar omdat ze begrijpt dat ze me ooit eerder heeft ontmoet, doet ze in ieder geval alsof.
“Hoe bent u hier gekomen?”, vraagt ze. “Met de bus?”
“Nee, deze keer ben ik met de fiets gekomen”, antwoord ik.
“Met de fiets. Oh. Nou ja. Met de fiets kom je overal, hè.”
Wie ook nog leeft, vertelt Dorothea, is Gertrud, mijn voormalige tafelgenote in het tehuis. Van Gertrud herinner ik me vooral dat ze bijzonder snel kon eten, dat ze stiekem rookte in het keukentje en dat ze in een ver verleden eigenhandig een ring rond haar vinger had getatoeëerd. Bij de mis, deze ochtend, is ze nergens te bekennen. “Die is zeker dronken”, meent Dorothea, “een beetje alcohol en ze is al helemaal van de wereld.”

Rond half tien – de mis zou om negen uur beginnen – komt de pastoor zwetend de kapel op de zolder van het bejaardentehuis binnen. Hij heeft net een andere mis opgevoerd in de kerk even verderop en was daar opgehouden. Terwijl de pastoor zich omkleedt in het spreekkamertje zetten de verpleegsters alvast een gezang in. Enkele van de vijftien aanwezige bejaarden mompelen zachtjes mee.
De mis verloopt zakelijk en zonder al te veel religieuze inspiratie. De pastoor doet wat hij moet doen en het aanwezige personeel en Dorothea vervullen keurig hun rol in het ritueel. Ze zingen als er gezongen moet worden, knielen als er geknield moet worden en slaan zichzelf op de borst bij de schuldbekentenis. Ik zing en bid niet mee maar volg wel de aanwijzingen van Dorothea op en kniel op de juiste momenten. Ook steek ik netjes mijn tong uit om de hostie te ontvangen. Van de bejaarden zijn sommigen actiever dan anderen. Het is warm op de zolder en enkele bejaarden lijken wat in te dutten. De pastoor veegt het zweet van zijn voorhoofd met het doekje dat hij ook gebruikt om de wijnkelk schoon te poetsen.
Iedereen lijkt opgelucht als de dienst over is en we weer naar buiten kunnen.


Gezinsuitbreiding

Er zijn veel mensen in Krapkowice die ik nog wel eens zou willen zien maar ik wil niet al te lang blijven rondhangen in het stadje. Daarom zoek ik alleen diegenen op van wie ik het actuele adres of telefoonnummer heb en vraag ik hen om mijn groeten over te brengen aan andere kennissen.
Een van de mensen die ik graag nog eens wil zien is Asia, een vrouw van achter in de twintig die tijdens mijn vorige verblijf in het stadje beviel van haar eerste kind, haar dochtertje Amelia. Ik stuur haar een smsje en word uitgenodigd om langs te komen.
Asia woont nog steeds met haar man Tomek en haar dochter in een twee kamerappartementje in één van de blokken aan de westkant van de stad. Ik heb haar twee jaar niet meer gesproken en ik ben dan ook verbaasd om te zien dat ze precies even zwanger is als de eerste keer dat ik haar ontmoette. Als alles goed gaat, bevalt ze over zes weken van haar tweede kind, een zoon.
Amelia is van een mollige baby uitgegroeid een klein rank meisje dat dol is op paarden.
De eerste keer dat ik Asia ontmoette, was op een feest van ‘de sekte’ in de bioscoop van Krapkowice. Het feest vond ergens begin februari plaats en werd een carnavalsfeest genoemd omdat het gehouden werd in de tijd tussen kerst en aswoensdag. Er hing geen carnavalssfeer in de Nederlandse zin van het woord. Er werd niet gerookt en gedronken – dat werden de streng evangelische jongeren niet geacht te doen – maar wel werden er veel koffiekoeken en Poolse kroketten naar binnen gewerkt. De vrouwen waren in het lang en de mannen in pak en dansten in paren of in rijen. Asia was er ook en zat, vanwege haar hoogzwangere buik, het grootste deel van de tijd aan de kant. Ik zat regelmatig naast haar omdat de Poolse dansen me niet echt goed lagen.
Mijn contacten met enkele leden van de religieuze gemeenschap had me de gelegenheid gegeven om mijn netwerk in Krapkowice razendsnel uit te breiden. Van de paar honderd mensen die naar gebedsbijeenkomsten kwamen, leek iedereen elkaar te kennen en was iedereen bereid elkaar op elk moment te helpen. De leden hadden een gemeenschapsgevoel dat ik wat beklemmend vond maar dat op tijden wel handig en bovendien interessant was.

Dat de gemeenschap niet aan hechtheid heeft ingeboet, merk ik direct als ik weer bij Asia op thuis ben. Asia is enthousiast over mijn bezoek en belt meteen enkele kennissen op om te vragen of ze ook even langs komen. Binnen twintig minuten zijn er zeven oude bekenden komen binnen wandelen. Het flatje van Asia en Tomek zit propvol.
Vrijwel iedereen die ik ontmoet is in de afgelopen drie jaar flink met gezinsuitbreiding bezig geweest. Ania en Adam hebben twee kinderen gekregen, Ewa is getrouwd, Andrzej is getrouwd en Piotrek is getrouwd. “Alleen Gosia is nog alleen”, zegt Asia. Het klinkt als een probleem. Gosia is twee jaar jonger dan ik.
Asia ziet uit naar de uitbreiding van haar eigen gezin, maar voorziet ook enkele moeilijkheden. Het appartementje is nu al aan de kleine kant en met een vierde gezinslid wordt het helemaal behelpen. “Ik ga met de baby in deze kamer slapen en dan slaapt Tomek met Amelia in de andere kamer.”
“Waarom kunnen de kinderen niet samen op een kamer?” vraag ik.
“Zie je het al voor je? Ik moet er ’s nachts steeds uit om de baby te voeden. Dan kan Tomek toch niet slapen? Ach, het zal wel moeilijk voor hem zijn, maar ik vertrouw erop dat god hem kracht geeft.” Tomek maakt lange dagen in een baksteenfabriek en is de komende tijd de enige kostwinnaar.

Dat ik alleen op reis ben, vindt het gezelschap maar raar. Zij doen het liefst zoveel mogelijk in groepsverband. Asia draagt dan ook meteen enkele adressen aan van vrienden in Opole, waar ik de volgende nacht zou kunnen overnachten. Asia raadt me aan om bij Alina langs te gaan. Ik herinner me Alina als een jonge vrouw met een flinke bekeringsdrang die mij, nadat ze me vijf minuten kende, een bijbel cadeau deed. Het is heel vriendelijk van Asia om zo mee te denken met mijn reisplannen, maar terwijl ik het telefoonnummer van Alina opschrijf, weet ik al dat ik haar niet zal bellen.
Na een bezoek van anderhalf uur ga ik er weer vandoor. Asia is moe en moet gaan liggen en ik vind het ook prettig om weer even op mezelf te zijn.
“De volgende keer als je komt, ben ik weer zwanger”, belooft Asia me. Daar zal ik haar aan houden.


De grootste taart ter wereld

Op weg naar Opole ga ik nog even langs bij de familie Klinke. Een boerenfamilie die er prat op gaat in het grootste huis van het dorp te wonen. Frau Klinke, de mater familias, heb ik drie jaar geleden als eerste van de Klinke-familie ontmoet tijdens het koffiekransje van de Deutsche Volksgruppe van Krapkowice. Enkele dagen later stond haar eenentwintigjarige kleinzoon, Waldek, voor mijn deur (hij geloofde zijn oma niet toen ze vertelde dat er een Nederlands meisje in het Kulturhaus woonde) en beetje bij beetje leerde ik de hele familie kennen.

Als Edytta Klinke, de schoondochter van Frau Klinke, de deur opendoet, herkent ze me meteen. “Sara, wat doe jij hier!?”, roept ze. Dan ziet ze mijn fiets. “Met de fiets, ben je helemaal met de fiets hier gekomen?” Ik word naar de eetkamer geleid, waar Frau Klinke naar een film op een groot flatscreen zit te kijken. Beide vrouwen dragen vanwege het warme weer alleen een bloemetjesovergooier.
Terwijl Edytta ergens een stuk maanzaadtaart vandaan tovert en koffie inschenkt, start Frau Klinke met het doornemen van de familienieuwtjes. Frau Klinke staat bekend als ‘de post van Krapkowice’ en roddelt even graag over haar eigen familieleden als over buitenstaanders.
Het eerste nieuws is dat Ada, de oudste dochter van Edytta, twee jaar geleden getrouwd is en inmiddels een zoontje heeft van een jaar oud.
“Hoe heet hij ook al weer Edytta?”, roept Frau Klinke in de richting van de keuken. “Ja, Ada’s zoon. Paul? O ja, Paul, dat was ook zo.” Dan richt ze zich weer tot mij: “Paul heet hij. Zo heette de vader van die man van Ada ook. Een handige naam, want dan kan hij later het familiebedrijf voortzetten.”
Edytta komt aanlopen met een trouwfoto. Ada, een stuk slanker dan toen ik haar drie jaar geleden voor het laatst zag, zit in een wolk van een trouwjurk op schoot bij haar kersverse echtgenoot.
Alle leden van de Klinke familie zijn nogal fors en Ada was enkele jaren veel te dik. Ik kan me herinneren dat de hele familie Ada bleef plagen met haar pogingen om af te vallen. Ze hadden er weinig vertrouwen in dat het haar zou lukken.
“Wat ziet ze er goed uit!”, merk ik op.
“Ja ja, ze is afgevallen. Twintig kilo! Ze was het beu om dik te zijn. Want vroeger, toen was ze als... als een machine. Ja, zo zag ze eruit”, zegt Frau Klinke en ze knikt, tevreden met haar vergelijking.
Ada is vandaag in de stad Opole waar ze meehelpt met het verbreken van het wereldrecord taart bakken. Sinds haar trouwen werkt ze in de bakkerij van haar man en samen met dertien andere bakkerijen hebben ze geprobeerd een taart van vierhonderd meter lang te bakken. Vanmiddag wordt de taart in Opole gemeten en gegeten. Met trots toont Edytta de lokale kranten waar het taartenbaknieuws breed in wordt uitgemeten.

Na het nieuws van Ada, moppert Frau Klinke een beetje over de moeilijkheden van het boerenbedrijf en hoe ze alles moeten doen om genoeg brood op de plank te krijgen. “Weet je, het leven is hier niet makkelijk. Boeren moeten alles doen om de eindjes aan elkaar te knopen.” Onbedoeld ontkracht ze direct haar uitspraak als ze de aandacht vestigt op de splinternieuwe flatscreen tv die in de keuken aan de muur hangt. Frau Klinke probeert de tv harder te zetten, maar tevergeefs. “Die tv is nieuw en ik weet nog steeds niet hoe de afstandsbediening werkt”, klaagt ze.

Edytta moet even een klusje doen in een andere kamer van het huis en Frau Klinke richt haar aandacht op de tv. Twee Franse edelmannen strijden om de hand van een schone dame. Veel pruiken, zwaardgekletter en diepe decolletés zijn te zien. De ene edelman is duidelijk de goede en de andere de slechte. De saaie stem van de lector vertaalt alles wat er in de film gezegd wordt op een neutrale toon in het Pools.
Frau Klinke gaat helemaal op in het verhaal. “Nu maar afwachten wie er winnen zal!”, zegt ze zonder een spoor van ironie. De mannen vechten nog wat door totdat de slechterik in een afgrond stort.
“Gelukkig maar”, leeft Frau Klinke mee. “Maar waar is het meisje nou gebleven?”
De schone dame komt achter een pilaar vandaan en de goede edelman neemt haar in zijn armen.
“Ik houd van je” klinkt de stem van de lektor toonloos. “Ik houd ook van jou’, zegt hij er direct achteraan.

Als de aftiteling over het scherm rolt, neemt Frau Klinke het gesprek weer op.
“Waldek heeft inmiddels een bruid gevonden”, stelt ze.
“Is hij ook al getrouwd?”, vraag ik. Ik kan me haar stoere kleinzoon moeilijk gesetteld voorstellen.
“Nee, niet getrouwd. Maar hij heeft een meisje.”
“Zijn ze verloofd dan?”
“Dat weet ik niet. Dat weet ik niet. Waldek vertelt er niet veel over. Maar dat meisje... Tja”, Frau Klinke kijkt er wat ongelukkig bij. “Het is een heel popperig meisje. Niet een meisje dat binnenkomt en dat meteen gezellig is, met wie je kan lachen. Ze is bang om de handen uit de mouwen te steken. Wat Waldemar nodig heeft is een meisje dat overal voor in is en dat er niet vies van is om op te koken, op het land te werken... om allerlei klussen te doen. Niet zo'n poppetje als dit kind. Maar ja, wat kunnen we eraan doen. Het is aan Waldek om te kiezen.”

Nu dit onderwerp is afgehandeld, toont Frau Klinke plotseling interesse in mijn doen en laten. Ze heeft zich waarschijnlijk gerealiseerd dat zij als enige lid van het koffiekransje van de Deutsche Volksgruppe afweet van mijn aanwezigheid in de stad. Kennis is macht – en dat geldt zeker tijdens het wekelijkse koffiekransje – en daarom vuurt Frau Klinke nu een reeks vragen op me af:
“Dus jij hebt dat hele eind gefietst? Waarom? En waarom alleen?”
“Hoe ben je gereden? En sinds wanneer ben je hier in Krapkowice?”
“Waar heb je gisteren geslapen?”
“Bij Dorothea? Is dat die vrouw die aan de Oder woont?”
“Niet aan de Oder maar bij het kerkhof? Zeg Edytta, kennen wij een Dorothea die bij het kerkhof woont?”
“Ah, die Dorothea. Hoe ken je haar? Waarom heb je daar geslapen?”
Als Frau Klinke voldoende informatie heeft ingewonnen vraag ik haar om mijn hartelijke groeten over te brengen aan mijn andere dames, dan voelen zij zich ook niet gepasseerd.

Bij het afscheid vraagt Edytta of ik nog iets nodig heb. Water? Een stuk taart om mee te nemen? Of wat geld misschien? Zonder mijn antwoord af te wachten rent ze naar binnen om even later terug te komen met een briefje van honderd zloty – een kleine dertig euro. “Dat heb je vast en zeker nodig. Je moet vannacht toch nog overnachten in Opole?”
Het duurt een poosje voordat ik het Edytta duidelijk kan maken dat ik het geld echt niet ga aannemen. Ik moet haar zelfs laten zien dat ik zelf nog een briefje van honderd op zak heb om haar ervan te overtuigen dat ik het geld niet nodig heb.
Dan fiets ik weer verder. Op naar Opole, de stad waar de grootste taart ter wereld gegeten wordt.

dinsdag 29 juli 2008

Oekraiense ellende

Na twee vrolijke en zonnige dagen in Slowakije fiets ik bij Ub'la de Oekraiense grens over. Ik ben benieuwd naar wat me te wachten staat en zie ernaar uit het land te leren kennen. Vier dagen, drieëntwintig uur en vijfenveertig minuten later ga ik weer de Oekraiens-Slowaakse grens over. Nu niet bij Ub'la maar bij Tchop. En niet per fiets maar per trein. Ik heb zelden zoveel regen gehad en zoveel akelige mensen ontmoet als in deze week en als ik ook nog immobiel raak door een buikgriep ben ik het land zo erg beu dat ik eruit wegvlucht. Misschien is Oekraine best een leuk land maar dat laat ik voorlopig aan anderen over om te ontdekken.

Mijn indrukken van Oekraine zijn dus beperkt, maar toch enkele verhalen.

Naar Odessa

Voordat ik op reis ging, heb ik me ervan verzekerd dat ik geen visum voor Oekraine nodig heb en als ik bij de Oekraiense grens aankom, kan ik er dus redelijk van op aan dat ik zonder problemen het land in zal komen. Maar als ik heel die rij auto's zie staan bij de douane krijg ik toch een beetje de kriebels. Zou ik verder mogen?
Ik ga in de rij staan bij de Oekraiense douanepost en wacht af. Al snel blijkt dat deze rij niet functioneert als een gewone rij. Mensen staan weliswaar aan te schuiven, maar uiteindelijk mogen de mensen wier auto vooraanstaat in de file toch voor gaan. Mijn fiets staat niet in de file maar op de stoep en ik zie aankomen dat ik zo nooit aan de beurt kom.
Medewachtenden vullen formulieren in en ik vraag me af of ik daar zelf ook mee aan de slag moet. Maar waar hebben ze die papiertjes vandaan? Ik bekijk de rij eens goed en probeer in te schatten wie het meest waarschijnlijk Engels of Duits zal spreken. Mijn oog valt op een man van voor in de dertig. “Sorry meneer, spreekt u Engels? Of Duits misschien?”, probeer ik. Ik krijg een niet begrijpende en wat chagrijnige blik terug. Ik wijs naar het formulier dat hij in zijn paspoort heeft gevouwen, wijs vervolgens naar mijn paspoort zonder formulier en houd mijn handen in de lucht bij wijze van vraagteken. De man wijst naar de douanebeambte in haar hokje. Je moet dus eerst in de rij staan voor een formulier, dan uit de rij om het formulier in te vullen en dan weer in de rij om het in te leveren.
Als ik eindelijk het formulier heb bemachtigd, vraag ik me af wat ik moet invullen onder het kopje 'bezoekadres'. Dat heb ik niet en ik laat het dus leeg. Ook de linkerkant van het formulier laat ik leeg, want daarboven staat met dikgedrukte letters 'Departures' en bovendien moet daar precies dezelfde informatie worden ingevuld als onder het kopje 'Arrivals'.
Weer in de rij, nu met formulier.
Mensen om me heen staan stil te wachten. De meesten kijken wat wezenloos voor zich uit. Een man, die eerst achter me in de rij stond maar plotseling voor me staat, probeert met een strak gezicht zo onopvallend mogelijk iets te gebaren naar zijn medepassagiers die even verderop in de auto zitten. Ik ga er meteen van uit dat ze iets in hun schild voeren en bedenk allerlei scenario's variërend van mensenhandel tot drugssmokkel. Dan zie ik dat de man een goudkleurig oorbelletje in de vorm van een playboykonijntje in zijn oor heeft en kan ik hem plotseling niet meer zo serieus nemen.
Als ik weer aan de kop van de rij sta, werpt de douanebeambte een blik op mijn formulier. Meteen geeft ze het terug en zegt met een zuur gezicht iets als “waarom heb je de linkerkant niet ingevuld?” in het Oekraiens.
Ik laat de verklaring achterwegen, ga uit de rij en vul netjes al mijn gegevens nog een keer in. Ik begin de rij ondertussen een beetje beu te worden en ga nu direct vooraan staan. De beambte bekijkt het blaadje iets zorgvuldiger. Ik voel de vraag al aankomen: “Adres?”
Ik wijs naar mijn fiets en probeer uit te leggen dat ik geen vastomlijnd plan heb. Als ze zuur blijft kijken, roep ik de eerste Oekraiense stad die in me opkomt. “Odessa?”
Ze geeft het formulier terug en zegt nogmaals: “Adres”
Ik weet niet wat ik moet doen en sta wat hulpeloos om me heen te kijken. De mensen achter mij beginnen zich er nu mee te bemoeien. Het begint al te schemeren en waarschijnlijk willen zij ook snel de grens over. “Odessa”, roept iemand. En als snel roepen ook anderen me toe: “Odessa!” Ze wijzen naar het blaadje in mijn hand.
Ik doe wat me gezegd wordt en schrijf zowel op de rechter als de linkerkant van het formulier 'Odessa' op.
Tot mijn verbazing is de beambte nu tevreden en heb ik enkele seconden later de permissie om de grens over te steken.
Ik pak mijn fiets, verzet mijn klok een uur en rijd Oekraine in. Genoeg bureaucratie voor vandaag.

God op de fiets

Mijn eerste nacht in Oekraine ben ik te gast bij zuster Klarissa en zuster Ulkrike, twee katholieke nonnen die in het stadje Velykyj Bereznyj wonen. Zuster Klarissa geeft religieonderwijs op school. Ze is vriendelijk maar afstandelijk. Ziekenzuster Ulrike, daarentegen, is vol enthousiasme. Ze heeft in vijfentwintig jaar geen Duits meer gesproken maar doet haar uiterste best om toch in die taal te communiceren. Ook doet ze alles om het naar mijn zin te maken. Een betere ontvangst had ik me moeilijk kunnen voorstellen.
Ik slaap in de sobere kamer van een derde zuster die op het moment in het buitenland is. Zuster Ulrike heeft er een kan water, een waskom, een kan thee en een tandenborstel voor me klaargelegd. Als ik naar de wc wil, moet ik gebruik maken van het 'plonstoilet' in de tuin. Bij toiletgang moet ik wel oppassen voor de hond, vertelt zuster Ulrike me, want die is erg speels en wat overenthousiast.
Dat zuster Ulrike geen woord teveel heeft gezegd, merk ik snel genoeg. Ik heb nog geen twee stappen buiten de deur gedaan of het beest heeft zijn tanden al vrolijk kwispelend in mijn been gezet. Hij bijt niet door, maar aangenaam is anders. Ik probeer hem vriendelijk doch kordaat los te schudden. “Foei hond! Foei!” De hond ziet dit echter als een uitnodiging en springt nu tegen me op en pakt mijn arm beet. Pas als hij na een poosje merkt dat ik niet echt meewerk, druipt hij af.
Ik slaap heerlijk en wordt wakker doordat de zon mijn kamer binnenschijnt (dat beloofd veel goeds, denk ik nog). Nadat ik een poging heb gedaan om het toilet te bereiken zonder door de hond opgegeten te worden, ontdek ik dat het ontbijt al klaar staat: zoutige wentelteefjes met veel ei, gebakken worst, sardientjes in tomatensaus, brood en kaas. Zuster Klarissa heeft een zwart schortje omgebonden om haar zwarte habijt niet te bevuilen.
Na het onbijt maak ik de ketting van mijn fiets schoon (de hond krijgt de poetsdoek die ik hierbij gebruik te pakken en scheurt hem enthousiast aan stukken) en leert zuster Ulrike me enkele woorden Oekraiens. Vervolgens gaat ze met me mee naar de bank en naar de markt om me te helpen om mijn inkopen voor de dag te doen. Ze geeft me de raad om op te passen op stelende zigeuners . Ook moet ik liever geen Oekraiense worst kopen – die is niet te vertrouwen.
“God zij met je”, zegt ze bij het afscheid. “God zit ook op de fiets” vervolgt ze lachend. “ Hij rijdt met je mee!” Dan vraagt ze of de me een kruisje op mijn voorhoofd mag geven en of ik hetzelfde bij haar wil doen. Het ontroert me.
Dan ga ik op weg. Met de bescherming van de hogere machten en krachten.

Nat en koud

Ik heb al heel wat regen gehad deze reis, maar de echte regen begint tijdens mijn eerste dagtocht in Oekraiene. Het begint met wat miezer maar enkele uren later regent het gestaag door. Door de grijze, laaghangende wolken zijn de omliggende heuvels nauwelijks meer zichtbaar. De bloemen in de zomerse bergweiden maken een verlepte indruk. De onverharde wegen veranderen in modderpoelen.
De regen maakt het fietsen er leuker noch makkelijker op. Vooral het fietsen in regenpak bevalt me slecht. Ik krijg het er vreselijk warm in en tijdens een beklimming zweet ik zo hard dat mijn kleren er minstens even nat van worden als van de regen. Maar omdat ik het liever te warm heb dan te koud, houd ik mijn regenjas netjes aan.
Dalen in de regen is evenmin een lolletje. De Oekrainse wegen zitten vol kuilen die met regen in plassen veranderen en soms vrijwel onzichtbaar worden. Met de remmen ingeknepen, sukkel ik langzaam naar beneden, omzichtig de plassen ontwijkend. Door het gebrek aan beweging vervliegt al snel de warmte die tijdens de klim was ontstaan en zit ik te rillen op de fiets.

Tijdens mijn eerste Oekraiense etappe fiets ik over een verlaten modderweg die op mijn kaart stond aangegeven als 'belangrijke verbindingsweg'. De eerste honderd meter van de weg waren nog geasfalteerd, maar het asfalt brokkelde steeds verder af tot er alleen nog her en der een steen in de modder stak bij wijze van verharding. Ik heb die dag al zo'n vijftig kilometer geklommen en zie uit naar de afdaling.
Als ik aan de afdaling begin, krijg ik het echter zo koud dat ik bang ben dat ik ziek ga worden als ik niet snel opwarm en droge kleren aantrek. Gelukkig kom ik na enkele kilometers aan in een dorpje. Behalve een enkele herder waagt niemand zich buiten in dit weer. Ik stap van mijn fiets af en beslis dat ik hier een schuilplaats moet en zal vinden.
Aan de eerste de beste persoon die ik zie, een vrouw in roze legging en een shirt met de tekst 'romantic girl', vraag ik bibberend of ik misschien tien minuten bij haar thuis mag komen opwarmen – met gebaren natuurlijk, want de vrouw spreekt alleen Oekraiens en een beetje Russisch. Ze twijfelt eerst een beetje, maar houdt dan toch de deur voor me open.
In het halletje trek ik mijn regenkleren en schoenen uit en loop daarna de woonkeuken in. Daar heeft de vrouw een stoel voor me bij de kachel gezet. De vrouw en twee mensen van wie ik vermoed dat het haar ouders zijn, staren me aan. Om de situatie iets normaler te maken, stel me voor aan de aanwezigen. De jongere vrouw heet Svetka, haar vader Ivan en haar moeder Maria. Dan ga ik op de mij aangewezen plek zitten. Ik wil me ook graag omkleden, maar wacht het ermee om dat voor te stellen. Voor die mensen is het al raar genoeg dat ze plotseling een rillende fietster in hun keuken hebben zitten.

Het eerste wat me opvalt in het huis, is de sterke geur. Het ruikt alsof er een gorgonzolapizza in de oven staat. Bij nadere bestudering van de kamer zie ik echter niet waar de geur vandaan kan komen. Er is geen oven noch een pizza te zien.
Wel zie ik in de kamer twee grote koelkasten, een tafel een keramieke kachel, een aanrecht en een bank die duidelijk ook wordt gebruikt als bed. Het beddengoed ligt slordig opgevouwen in een hoek. Het is duidelijk geen welvarend huishouden. De meubels zijn versleten en de kamer ziet er wat viezig uit. Boven de oven liggen paddestoelen op rekken te drogen. Zouden die voor de verkoop zijn?
We zwijgen. Ik aan mijn kant van de kachel, Svetka aan de andere kant, Maria op de bank met de kat op schoot en Iwan aan tafel. De stilte wordt alleen verstoord door het gekletter van de regen tegen het raam door Maria die de kat aanhaalt en Iwan die met zijn vingers op tafel trommelt.
Als ik laat zien dat er water uit mijn trui drupt, toont Svetka mij de badkamer waar ik me kan omkleden.
Na een minuut of tien komt er een oude vrouw binnen. Het is Maria's moeder. Ze ploft naast Maria neer op de bank en blijft daar zitten zonder verder nog te bewegen. De vingertoppen van haar rechterhand staan scheef op haar vingers. Ze moet ooit een serieus ongeluk hebben gehad.
De hele situatie is wat onwerkelijk, maar toch ben ik blij hier binnen te zitten. Ik voel al snel hoe mijn hoofd begint te gloeien en na een poosje lukt het me ook om iets voorkomender te zijn als gast. Ik haal mijn Russische woordenboekje en enkele foto's erbij en er ontstaat een soort van dialoog.
Dan is het weer tijd om op te stappen. Het is al zes uur en ik moet nog een kilometer of twintig fietsen voordat ik bij een hotel aankom. Ik schud nogmaals alle handen en beloof een kaartje te sturen vanuit Nederland.
Dan trek ik weer mijn regenpak aan en vervolg ik de afdaling. Nu ik droge kleren aan heb is het dalen een heel stuk aangenamer. Ik zie nog wel een kuil over het hoofd en loop daardoor een slag in mijn wiel op, maar uiteindelijk kom ik heelhuids aan in een dorpje waar enkele hotelletjes moeten zijn. Opdrogen, eten en slapen dat is alles waar ik nu behoefte aan heb.

Hotelheksen

Door de aanhoudende regen- en de onweersbuien ben ik in Oekraine voor het overnachten aangewezen op hotels. Daar kan ik mijn kleren droog krijgen. Kamperen zou daarnaast ook niet echt veilig zijn met al die afbrekende takken en omvallende bomen.
Het overnachten in hotels vind ik op zich geen probleem. Normaalgesproken heb ik er zelfs lol in om op zoek te gaan naar de ideale slaapplaats. In Oekraine word ik echter geconfronteerd met een bijzonder raar en naar hotelwezen. In alle hotels die ik aandoe, huist een rasechte hotelheks. Een hotelheks is makkelijk te herkennen: ze treedt op als receptioniste, trekt een bijzonder zuur gezicht als ze je ziet aankomen en stuurt je het liefst direct de deur weer uit met de boodschap dat het hotel vol zit of gesloten is. Ze doet er in ieder geval alles aan om je duidelijk te maken dat je aanwezigheid is het hotel, de stad en het land uiterst ongewenst is.
Met een hotelheks valt niet te onderhandelen over de prijs van een kamer en het bedrag dat ze vraagt is zonder uitzondering belachelijk hoog. In Polen en Slowakije heb ik zeer comfortabel overnacht in logementen waar ik tussen de vijf en vijftien euro betaalde. De Oekraiense hotelheksen vragen, ook ik het meest oninteressante dorp in de Karpaten, zonder een spier te vertrekken dertig euro voor een overnachting. Kan of wil je dat niet betalen? Pech!
Omdat ik elke dag weer een nieuwe slaapplaats probeer te vinden, kom ik heel wat heksen tegen en al snel beginnen deze ontmoetingen hun tol te eisen: ik word er zelf moe en triestig van. Na een dag ploeteren door de modder, wil ik graag een plek vinden waar ik me een beetje thuis kan voelen en wat bij kan komen. In plaats daarvan voel ik me keer op keer opgenaaid en afgezet.
Van andere ontmoetingen met Oekrainers krijg ik doorgaans ook maar weinig energie. Mensen op het platteland willen nog wel eens een praatje aanknopen, maar de mensen die ik in restaurantjes en winkels tegenkom, zijn vaak uitgesproken wantrouwend en nors. Slechts heel soms lukt het om door deze façade heen te breken en verschijnt er een lachje op het gezicht van mijn gesprekspartner. Het kost echter zoveel moeite om wat vriendelijkheid los te wrikken dat ik er zelf wat uitgeput door begin te raken.
Ik geloof best dat mensen heel gastvrij zullen zijn als je ze eenmaal wat beter kent. Maar als je behoefte hebt aan wat spontane vriendelijkheid, kan je volgens mij toch beter naar een ander land gaan.

Net een auto

Bij de voorbereiding van elke fietsreis breid ik mijn collectie aan reisattributen wat verder uit. Was ik vorige reis vooral in de wolken met mijn flexibele camerastatief, deze reis kan ik niet zonder mijn splinternieuwe achteruitkijkspiegel. Ik heb het spiegeltje links op mijn stuur gemonteerd en kan voortaan op elk gewenst het verkeer achter mij bespieden. Heel handig te midden van de niet al te hoffelijke Oekraiense chauffeurs.
In Nederland zijn het volgens mij vaak bejaarden en slechtzienden die met zo'n spiegel op hun stuur fietsen. Mijn oma kreeg er vroeger ook een nadat ze haar ene oog verloren had. Nu ik zelf tot de categorie spiegelrijders behoor, associeer ik een fietsspiegel niet meer met bejaard of slechtziend. Ik voel me er vooral erg stoer mee. Ik voel me net een auto.

De Oekrainer... enkele observaties

De Oekrainer komt graag agressief over. Dat leid ik af uit het feit dat het merendeel van de Oekraiense autobezitters rondrijdt met geblindeerde ramen. De chauffeurs zelf zijn niet zichtbaar en scheuren anoniem over de wegen. Zelfs de ramen van wrakkige Lada's zijn beplakt met folie. Gezellig is anders. Ik krijg de neiging om op de fiets een zonnebril met spiegelende glazen op de zetten.

De Oekrainer houdt van tijgerprints. Leggings, strakke topjes, en jasjes - allemaal zijn ze in het goud-zwart te bewonderen. Misschien is de tijgerprint hier nooit uit geweest. En het blijft niet bij de tijgerprint... ook de glitter mini-mini rok en de hoerige 15 centimeter hoge naaldhak zijn niet weg te denken uit het straatbeeld.

De Oekrainer houdt van trouwfoto's. Op de zaterdag die ik in de Oekraiense stad Mukaceve doorbreng, bestudeer ik verschillende bruidsparen die bezig zijn te poseren voor hun bruidsreportage. Hij knielend aan haar voeten; zij in een kokket standje halfverscholen achter een zuil; samen in innige omhelzing starend in de verte. Het is misschien niet anders dan wat bruidsparen in heel Europa doen in opdracht van hun fotografen, maar het blijft leuk om naar te kijken. Vooral omdat het de bruidegom meestal maar niet wil lukken om de gespannen grijns van zijn gezicht te krijgen.
Op de uithangborden waarop fotografen hun kunsten tonen om klanten te lokken, zijn trouwfoto's te zien die me wat verwonderen. Op de foto's die hier worden getoond, laat de bruid standaard veel been zien en het liefst ook haar sexy jarretelgordel. En de bruidegom maar bewonderend toekijken.
Jammer dat deze foto's allemaal in de studio zijn gemaakt. Graag had ik ook zo'n fotoshoot eens meegemaakt.

Vaarwel Oekraine

Het kost me heel wat moeite om het besluit te nemen, maar op zaterdagochtend hak ik dan toch de knoop door: ik moet weg uit Oekraine. Ik ben uitgeput door de regen, de hotelheksen en door een buikgriep die op mijn derde dag in Oekraine de kop op heeft gestoken. Hoogstwaarschijnlijk blijven de regens- en onweersbuien de komende week aanhouden – er zijn ondertussen bij overstromingen zo'n zeventien doden gevallen, heb ik gehoord. Ik zie er geen heil in verder te blijven ploeteren.
Het is een moeilijke beslissing, want ik kan moeilijk aanvaarden dat ik wegga uit Oekraine terwijl ik zo'n negatief beeld heb van het land. En dat terwijl ik alleen een klein stukje van het uiterst westerse puntje van het land gezien heb. Maar goed, het zij nou eenmaal zo.

Op het station van Mukaceve ontmoet ik Ettienke, een Groningse die vanuit Moskou met de fiets op weg was naar Berlijn tot ze bij een valpartij haar beide ellebogen kneusde. We besluiten samen met de trein naar de grens te reizen en te kijken of we dezelfde dag nog Slowakije binnen kunnen komen. Het is zo prettig om na vier allenige dagen weer eens een ongedwongen gesprekje te voeren dat mijn vermoeidheid verdwijnt als sneeuw voor de zon. Even twijfel ik zelfs of ik niet toch in Oekraine moet blijven om het land nog een kans te geven. Maar uiteindelijk koop ik een treinkaartje richting Slowakije.

“Alsjeblieft mevrouw, geeft me wat geld”

Op een marktplein in Medzilaborce hebben vijf Romakinderen zich verzameld rond mij en mijn fiets. Vier kinderen houden bedelend hun hand op en herhalen klagelijk keer op keer dezelfde zin. “Alsjeblieft mevrouw, geeft me wat geld”, denk ik dat ze zeggen. Of “Geef me een snoepje, een snoepje kunt u toch wel missen”. Het vijfde kind staart me met gefronste wenkbrauwen aan en zuigt hard op een fopspeen. Zijn teennagels zijn zo lang dat ze naar de grond toe krullen. Zijn kleren zijn vies en te klein en zijn gulp staat open. Hij is zo'n zes jaar oud.
Zowel in Slowakije als in Oekraine kom ik veel Roma tegen. Ik zie ze vooral in de buitenwijken van steden en aan de rand van de weg waar ze bessen en paddestoelen te verkopen. Hier in Medzilaborce hangen op het marktplein en op de stoep her en der groepjes mannen en kinderen rond. Veel van de mannen zijn dronken en fluiten en sissen naar alles wat voorbijkomt. De kinderen spelen wat en klampen toeristen aan. De kinderen en hun kleren zijn duidelijk al een poos niet gewassen en stinken een uur in de wind.
Van het groepje kinderen dat om mij heen staat, is een meisje duidelijk de leidster. Ze is het oudst – ik schat zo'n jaar of tien – en gaat de anderen voor in hun klaagzang. Ik ben niet van plan om geld te gaan geven en ik wil ook mijn plekje op het marktplein niet verlaten. Om de kinderen wat van hun doel af te leiden, bauw ik ze een beetje na. De kinderen zijn erdoor verbaasd en zijn even van hun stuk gebracht. De jongen met de speen ligt dubbel van het lachen en proest het uit.
De aanvoerster lijkt te bedenken dat het wel eens een poosje zou kunnen duren voordat ik hen iets zal geven en gaat erbij op de grond zitten. Ze is een beetje verveeld maar blijft standvastig haar frase herhalen.
Na een kwartier komt er een Slowaak op ons groepje af. Hij schreeuwt iets naar de kinderen en de kinderen kijken verschrikt op. De Slowaak komt dreigend dichterbij en roept nog wat. Nu stuiven de kinderen uiteen.

Even later sta ik even verderop te wachten bij de kassa van de Tesco-supermarkt en zie ik hoe een man een grote homp kaas steelt. Hij heeft de homp in een plastic zakje in zijn winkelmandje gelegd en haalt hem er niet uit met de andere boodschappen. Dan zet hij zijn mandje neer aan de andere kant van de cassiere en begint er de gescande boodschappen weer in te laden. Zowel de beveiliger als de cassiere kijken net de andere kant op. Als de man de winkel uitloopt, roept de beveiliger hem iets na. De man is vergeten zijn winkelmandje terug op de stapel te zetten en moet terugkomen om dat als nog te doen. Verder is er niets aan de hand.
Ik sta erbij en kijk ernaar. Heeft die man nou net echt iets gestolen? - vraag ik me af. Heb ik het goed gezien? Of heb ik het me verbeeld?
En vooral: zou ik de man ook van diefstal verdacht hebben als hij geen Roma was geweest?

maandag 21 juli 2008

In Polen

Chopin in het park

“Warschau is de geboortestad van Chopin” vertelt de receptioniste van het hostel waar ik mijn eerste nacht in Polen doorbreng. “Daarom wordt er in de zomer elke zondag een pianoconcert gegeven in het park. Het is prachtig, daar moet je echt heen.”
Het is zondagochtend en ik wil net vertrekken uit Warschau, maar ik besluit dat het geen kwaad kan om even langs het betreffende park te rijden.
Als ik aankom is het concert al begonnen. Op een podium zit een pronte dame achter haar vleugel en om haar heen zitten tussen de rozenstruiken honderden mensen stilletjes te luisteren - Poolse families in hun 's zondagse goed en toeristen met afritsbroeken en sandalen.
Hoewel ik er later achter kom dat Chopin niet in Warschau is geboren maar in Zelazowa Wola, een dorpje zestig kilometer verderop, moet ik de receptioniste verder gelijk geven: de muziek is prachtig.

Het Instituut voor Groenten


Zouden er ook nog vriendelijke Polen zijn? Polen die in zijn voor een praatje?
Ik ben er een beetje aan gaan te twijfelen. Tijdens mijn eerste dagen in Polen is het me vooral opgevallen hoe de mensen op straat mijn blik vermijden. Hoe veel mensen liever wegkijken dan me te groeten als ik in mijn beste Pools dzien dobry zeg. Het kan zijn dat het door het weer komt: misschien zijn de Polen ne zoals ik wat chagrijnig door de regen. Of misschien hebben ze gewoon geen idee wat ze moeten zeggen tegen iemand die nauwelijks Pools spreekt. Hoe dan ook, na enkele dagen het begint een beetje eenzaam te worden in het miezerige en ietwat saaie Poolse platteland.
Ook het uiterlijk van het stadje Skierniewice, waar ik maandag 14 juli beland, stemt me weinig positief. Ik zie vooral veel lelijke betonnen flats en het centrale marktplein is weliswaar niet lang geleden gerenoveerd, maar ligt er zeer kil en levenloos bij. En dat terwijl Skierniwice op mijn kaart staat aangegeven als een 'bezienswaardig'.
Als ik me er al bij heb neergelegd dat het stadje me naast een goede supermarkt en een verloederd Soviethotel weinig te bieden heeft, stuit ik toch op een gebouw dat mijn aandacht trekt. Het is een statig gebouw omgeven door netjes onderhouden bloembedden in het midden van een park. Het terrein rond het gebouw is omheind, maar de hekken staan open en ik besluit naar binnen te gaan. Ik weet niet zeker of dit wel de bedoeling is, maar ik gok erop dat ik het vanzelf wel zal merken als mijn aanwezigheid niet gewenst is.


Met behulp van mijn woordenboek probeer ik het plakaat naast de deur van het gebouw te vertalen. “Instituut voor Groenten” - weet ik ervan te maken. Daar schiet ik maar weinig mee op. De deur van het gebouw staat open en een beetje aarzelend besluit ik naar binnen te gaan. Nu ik hier eenmaal ben, wil ik ook weten wat dit voor een gebouw is.
De dame bij de receptie spreekt geen Engels maar verwijst me vriendelijk door naar het secretariaat. De dame van het secretariaat spreekt ook geen Engels en verwijst me door naar de directeur. De directeur is er echter niet en zo kom ik uiteindelijk bij de bibliothecaresse terecht. Zij vertelt mij met handen, voeten en enkele woorden Engels, Duits en Pools dat ik me bevind in het “Instituut voor Horticultuur”. Hier werken zo'n 150 professoren, promovendi en laboratoriummedewerkers op het gebied van tuinbouw. Dat verklaart de groenten op het plakaat. Het gebouw is in 1608 gebouwd als paleis in opdracht van de toenmalige aartsbisschop van Polen. Eind 17de eeuw viel het paleis in handen van de Russische Tsaar, die zijn broer er liet wonen. Tijdens de Tweede Wereldoorlog had de Gestapo er zijn hoofdkwartier.
Juist als de bibliothecaresse mij een rondleiding wilt geven, brengt de dame van het secretariaat ons een wetenschapper van het instituut die vloeiend Engels spreekt en graag wil tolken tijdens de rondleiding. De man stelt zich voor als Richard (“Mijn achternaam is te ingewikkeld. Die kan je toch niet uitspreken”) en verontschuldigt zich voor zijn werkkleren die wat zanderig zijn.
Richard begeleidt mij en de bibliothekaresse door de verschillende vertrekken van het paleis - de voormalige biljardkamer, de ontvangstruimte, de kapel, de eetkamer en de slaapvertrekken. Hij toont de ondergrondse tunnel die de eetkamer verbindt met de bijgebouwen van het paleis waarin de keukens gevestigd waren, laat verborgen deuren zien en vertelt dat de metershoge spiegels en de ramen van het paleis zijn gemaakt van Venetiaans glas dat in de zeventiende eeuw speciaal voor het paleis werd geimporteerd. Het glas van de ramen is meer dan een centimeter dik. Volgens Richard waren dit de enige ruiten in de stad die heel bleven tijdens de bombardementen in de Tweede Wereldoorlog.
Richard houdt van sappige details en vertelt met zichtbaar plezier dat verschillende vertrekken in de tijd van de tsaar verboden waren voor vrouwen, maar dat de broer van de Tsaar even verderop een kleiner paleisje liet bouwen voor “de vrouwen” die hij er regelmatig bezocht. “Wat hij daar ging doen weet ik ook niet, hoor!”, lacht Richard. Even later verwijst hij naar het vrouwenpaleis als het hoerenhuis.

“Zie je dat gele spul?” Vraagt Richard, terwijl hij naar het rijk gedecoreerde plafond wijst, “Dat gele spul vind ik misschien wel het leukst van het hele gebouw. Goud. Puur goud.” Maar het goud is niet het enige wat er te zien is. Ook zitten er scheuren in het plafond. Veel scheuren.
“Als het aan de staat lag zouden al deze monumenten zomaar vergaan. We krijgen geen cent voor het onderhoud en proberen de boel zelf zo goed als het gaat te renoveren, Die scheuren komen in het plafond doordat het houtwerk krimpt en uitzet. Dat heb je met van die oude contructies.”

Richard zelf promoveerde aan de universiteit van Poznan en is sindsdien werkzaam in het Instituut voor Horticultuur. Hij werkt er al dertig jaar en staat nu op het punt met pensioen te gaan. Hij heeft veel energie in zijn werk gestopt, maar carriere heeft hij nooit echt gemaakt. “Door politieke en persoonlijke problemen ben ik nooit echt hogerop gekomen. Ik was lid van Solidanosc, zie je. Dat werd niet gewaardeerd”, zegt hij tussen neus en lippen door.

Als Richard me alle kanten van het Paleis heeft laten zien en we bij mijn fiets aankomen nemen we afscheid. “Ik hoop dat je fiets kapot zal gaan en dat het veel zal regenen”, zegt Richard. Als hij mijn verraste blik ziet, voegt hij eraan toe: “Dat is een Poolse manier van afscheid nemen. Het betekent dat ik je een hele goede reis toewens.”


Een spetterende opening


Val ik me daar met mijn neus in de boter: op het marktplein van Rzeszow staat een volksdansgroep in volledige outfit klaar om een demonstratie te geven. De jongens dragen rood-witte pofbroeken en hebben elk enkele pauwenveren op hun hoofd. De meisjes dragen hun haar in twee lange vlechten – haar op heuplengte is kennelijk een selectiecriterium van de dansgroep – en zijn door hun dikke laag make-up nauwelijks uit elkaar te houden.
Even verderop staat een cameraploeg in de startblokken om het evenement vast te leggen. Enkele mensen van de organisatie rennen rond om laatste dingen te regelen. Een groepje officials wordt geinterviewd. Het ziet er allemaal erg belangrijk uit en vanaf een afstandje kijken enkele voorbijgangers verwachtingsvol toe.
Hoe lang de lang de volksdansers al in rijen staan opgesteld, is mij onduidelijk. Vanaf het moment dat ik aankom, duurt het in ieder geval nog tien minuten voordat ze in actie mogen komen. Ondertussen begint enkele mannelijke volksdansers het wachten beu te raken. Ze duwen wat en doen pogingen om elkaar pootje te haken.


Ik voeg me bij het groepje omstanders en vraag aan een jonge man wat er staat te gebeuren. De man antwoordt dat vanavond een dansfestival wordt geopend dat de komende twee weken zal duren. Terwijl hij mij te woord staat, kijkt de man ongedurig om zich heen. Hij voelt zich duidelijk niet helemaal op zijn gemak. Met reden, zo blijkt, want een minuut later komt een hooggehakte blondine op ons af die mij van top tot teen opneemt en de man aankijkt alsof ze wil vragen: “wat moet je met die vrouw?”. De man onderbreekt direct zijn verhaal, slaat een arm om haar heen en loopt weg zonder verder een woord te zeggen.

Terwijl het koppel zich even verderop op een terras installeert, wordt plotseling de muziek gestart en komt de volksdansgroep in actie. De meisjes glimlachen en zwieren in het rond. De jongens stampen hard op de grond, klappen in hun handen en roepen af en toe simultaan 'hoi'. Precies waar ik op had gehoopt.

Na een minuut of twee stopt de muziek net zo plotseling als die was begonnen. De dansers zijn daar duidelijk niet op voorbereid en dansen dapper nog zo'n twintig passen door. De omstanders kijken wat ongemakkelijk toe. De cameraploeg filmt rustig door. Pas als blijkt dat de muziek niet weer wordt ingezet houden de dansers het voor gezien.
Voorzichtig beginnen enkele omstanders te klappen maar het applaus komt niet van de grond. Pas als de dansers alweer hele andere dingen aan hun hoofd hebben - de jongens proberen de vlechten van de meisjes te pakken te krijgen - hebben de officials pas door dat het optreden echt over is. Ze trachten nogmaals een applaus in te zetten maar daarvoor is het al te laat. Noch de dansers noch de omstanders schenken er aandacht aan.

De filmploeg begint de boel op te ruimen. De omstanders gaan ieder hun weegs. De dansers maken een groepsfoto. Ik stap op mijn fiets.

Het dansfestival is geopend.


Koffer met geld


In Nederland kan je werken in de bouw of aan de straat. Misschien kan je er ook wel met tulpen of met molens aan de slag. Wat je ook doet: er staat een koffer met geld tegenover.



Deze poster doet me denken aan mijn vorige verblijf in Polen toen ik onderzoek deed naar tijdelijke arbeidsmigratie vanuit zuidwest Polen naar Nederland. Daar in het zuidwesten stikte het van dit soort advertenties van uitzendbureautjes. Iedereen had er wel een kennis of familielid die in Nederland rozen in dozen stopte, een worstmachine bediende of in de bouw werkte. Hier in het oosten niet. Tijdens deze tocht ben ik nog maar één Pool tegengekomen die mij vertelde in Nederland te zijn geweest, in Amsterdam wel te verstaan. Met tulpen, windmolens of koffers met geld had hij weinig van doen gehad. Op mijn vraag hoe Nederland hem bevallen was, kreeg hij een wazige blik in zijn ogen en glimlachte hij vredig. “Yes... coffeeshops”. En dat was het enige dat hij te zeggen had.


Vegetarisch


De serveerster van een restaurantje in het stadje Sanok heeft mij aangeraden om pierogi te nemen als avondmaal. Ik heb zin in een maaltijd zonder al te veel vlees en omdat dit 'typisch Poolse' gerecht op dee menukaart als vegetarisch wordt bestempeld, lijkt het me een goede keus. Als de serveerster de maaltijd opdient, begin ik eraan te twijfelen of de pierogi wel echt een goed idee waren. Op het bruine bord drijven tien met aardappelpuree gevulde, bruine stukken volkorendeeg in een vijver van kippenvet. Het geheel is gegarneerd met enkele stukjes gebakken vet - ook bruin. Dapper werk ik een paar deegballen naar binnen. “Veel koolhydraten”, houd ik mezelf voor. “Goed voor mijn energievoorziening.” Maar na de vijfde deegbal houd ik het voor gezien. Ik doe mijn energie wel op een andere manier op.


Kalebaslamp


Na een kleine en tamelijk willekeurige steekproef constateer ik dat de kalebaslamp de Poolse markt verovert. In drie restaurantjes waar ik tot nu toe in verzeild ben geraakt, hangen ze: geperforeerde kalebassen met een lamp erin die een sfeervol maar weinig functioneel licht verspreiden.
Enigszins verbaasd door het succes van deze lamp, besluit ik er in het derde restaurantje een foto van te nemen. Meteen komt er een ober op me af. “Ik wil niet dat u foto's maakt van deze lamp”, zegt hij nors.
“Echt niet?”, vraag ik hem verrast.
“Nee, geen foto's.”
Voordat ik hem kan vragen waarom niet, is de ober er alweer vandoor.
Is hij bang dat ik zijn decoratieve verlichting als inspiratie zal gebruiken en de kalebaslamp ook in andere delen van Europa zal introduceren? Vreest hij ervoor dat dat afbreuk zou doen aan het originele karakter van zijn eigen cafe?
Ik denk zelf niet dat het zo'n vaart zal lopen en stel daarom bij deze stel ik aan u voor: de kalebaslamp.

Een alternatieve huizenjacht

Marek en Aleksandra zijn in zuidoost Polen op zoek naar een mooi, verlaten, houten huis. Een huis om te kopen, af te breken en vervolgens mee te nemen naar midden Polen om het daar neer te zetten op een stuk grond dat Mareks vader hen ter beschikking heeft gesteld.
Ik ontmoet het jonge stel vlak bij de Pools – Slowaakse grens. Marek en Aleksandra zijn geinteresseerd in iedereen die ze tegenkomen en ik ben prettig verrast door hun open houding – Marek is de eerste Pool die mij geheel op eigen initiatief aanspreekt.
We besluiten samen te picknicken. Marek en Aleksandra hebben zelfgekweekte tomaten en komkomers bij zich in een koelbox annex uitklapbare picknicktafel. Ik lever mijn bijdrage met brood, worst en chocolade.
Tijdens de picknick vertellen Aleksandra en Marek over hun reis en hun huizenzoektocht. ze willen graag een houten huis omdat zo'n huis zo mooi en gezellig is, omdat het gezond is om in te leven en omdat het niet duur is. “Je hoeft niet meer dan 5000 zloty [zo'n 1400 euro] kwijt te zijn”, zegt Aleksandra.” Voor die prijs zet je niet zelf een huis neer.”
Een echt geschikt huis zijn ze nog niet tegengekomen tijdens hun zwerftochten over het platteland. De meeste huizen waren te vervallen om mee te nemen en op te knappen. Wel hebben ze alvast het een en ander gevonden om hun toekomstige woning mee in te richten. Zo kwamen ze in een bouwvallig huis naast een slapende zwerver enkele mooie oude flessen en een halfveroeste lampenkap tegen. Marek laat de aanwinsten met trots zien. “De lampenkap heb ik in het hotel wel flink moeten schoonmaken, maar nu ziet hij er toch best leuk uit, vind je niet? Ik denk dat hij best nog eens van pas kon komen.”
Als we uitgegeten zijn, begint het weer zachtjes te regenen. Net zoals Aleksandra en Marek ben ik het ondertussen gewend en trek ik me er niet al te veel van aan. Bovendien kan mijn dag niet meer stuk: ik had er al niet meer op gehoopt enkele spontane Polen tegen het lijf te lopen, maar met nog maar enkele kilometers te gaan naar de Slowaakse grens is het er dan toch nog van gekomen.

Vaarwel Polen




Schoenzolen en soepblikken

Het laatste wat je in een klein afgelegen dorpje in de noordelijke heuvels van de Slowaakse Karpaten zou verwachten, is een uit de kluiten gewassen Andy Warhol museum. En toch staat het er. In Medzilaborce wel te verstaan, een dorp op elf kilometer afstand van de Poolse grens en op zeventien kilometer van Mikola, de geboorteplaats van de ouders van Andy Warhol.
Het gebouw, dat oorspronkelijk bedoeld was om als gemeentehuis te functioneren, werd in 1991 als museum ingericht en trekt nu soms wel tweehonderd buitenlandse bezoekers per dag. Dat is best veel want Medzilaborce ligt niet bepaald op de toeristische routes.
Sinds de komst van het museum heeft het hele dorp zich een Andy Warhol stijl aangemeten. Er is een Andy pension en een Andy restaurant met Warhol specials op het menu. Bushokjes en zijkanten van flatgebouwen zijn versierd met de felgekleurde Warhol portretten. Enkele overgebleven communische muurschilderingen en standbeelden vallen erbij in het niet.



In het museum zijn niet alleen de beroemde Marilyn Monroe portretten en andere Warholprints te zien, maar ook enkele excentrieke outfits van de kunstenaar, zijn doopjurk, verschillende familiekiekjes, het geboortebewijs van Warhols tante, een bankafschrift van Warhol zelf en een sjaaltje van zijn moeder Julia Warhola. Ook hangen er enkele werken van broer Paul Warhola, die blijkbaar ook kan schilderen. Paul werkt in het dagelijks leven als boer, maar heeft in navolging van Andy's Campbell's soepblikken onder meer enkele Heinz ketchupflessen en tomatenblikken geschilderd.
Medzilaborce vaart er wel bij de aanloop van de toeristen. Het mag niet baten dat Warhol zelf in Amerika is geboren en nooit een voet in het toenmalige Tsjechoslowakije heeft gezet.