donderdag 2 februari 2012

"U zoekt zeker een Senegalese echtgenoot!"


Vrijdag 20 januari: Tambacounda

Karperskop


"Japanse wetenschappers hebben eens onderzocht hoe het komt dat Senegalezen slimmer zijn dan andere Afrikanen. Het blijkt dat dat komt doordat we vissenkoppen eten. Het zijn de vissenhersenen die goed zijn voor de intelligentie.

Kijk, de kop is eigenlijk het lekkerste van de hele vis. Je moet alleen weten hoe je hem het best kan eten.
Heb je het ooit geprobeerd? Nee?

Hier dan.

Kijk, je pakt hem zo bij zijn bek vast en met je andere hand trek je eerst de kieuwen eruit. Die kan je gewoon opeten.

Nee, niet uitspugen! Kauwen! Dat zijn geen graatjes, die harde stukje kan je gewoon opeten.

Oké, trek je nu aan dit flapje. Zo ja. En daar moet je op zuigen. Dat botje gooi je maar op het kleed.

De ogen kan je er gewoon uitzuigen. Kijk, dat gaat heel makkelijk. Maar je moet er wel even op kauwen hoor.

En van wat er nu nog over is... daar moet je gewoon wat op zuigen. En wat er overblijft spuug je uit.

Lekker?

Dat zei ik toch!"


Mballo laat me kennismaken met de jujube



Zaterdag 21 januari: Tambacounda – Koumpentoum, 109 km

Omelet en bruine bonen


Onderweg van Tambacounda naar Kaolack ontbijt ik 's ochtends meestal in het gezelschap van vrachtwagenchauffeurs en busreizigers. Het is een deel van de doorgaande route van Bamako naar Dakar en in elk dorp is wel een ontbijtgelegenheid. Dat wil zeggen: een paar bankjes en een tafel onder een afdakje, afgeschermd van de straat met wapperende lakens. Achter de tafel zit een man of vrouw aan de lopende band omeletten te bakken.


"Wil je één of twee eieren als omelet? Wil je er ui in? En wil je dan een stuk stokbrood of een baguette? En wil je er mayonaise bij? Ook iets te drinken? Café au lait?"

De café au lait bestaat hier uit een theelepel Nescafé en een half blikje mierzoete, gecondenseerde melk, aangelengd met kokend water. Een drank die ik normaal gesproken niet echt zou kunnen waarderen, maar die ik op fietsdagen gretig achterover sla. Goed voor de energie...


En als er geen eieren zijn, dan zijn er altijd bruine bonen of doperwtjes met ui en flink veel rode peper. Op een stuk stokbrood met wat mayonaise blijkt dat mengsel hier ook heel gangbaar te zijn als ontbijt. De eerste keer sla ik wat huiverig af, maar als ik dan toch een keer probeer, ben ik om.

Ik zal ze missen, die ontbijtjes, als ik straks weer terug ben in Nederland.

Collega


En dan kom ik eindelijk mijn eerste collega-fietser tegen: Huges, die zijn fietstocht gestart is in Zuid-Frankrijk. Enthousiast wisselen we verhalen uit over het nut van achteruitkijkspiegels en fietsstandaarden.

Gespierde, halfontklede mannen

’s Avonds, in Koumpentoum, bezoek ik een traditionele worstelwedstrijd – naar het schijnt een erg populaire bezigheid in Senegal. Na betaling van zo’n tachtig cent, mag ik het plein op en wordt het samen met de rest van het dorp dringen rond een open plek waar twee jongens elkaar in een gespannen omhelzing op de grond proberen te krijgen. Enkele djembespelers begeleiden de strijd met opzwepende ritmes.


Het is donker op het pleintje. Het enige licht komt van een peertje dat is opgehangen in boven de open plek en van een felle cameralamp – de hele strijd wordt van dichtbij vastgelegd. In de duisternis buiten de ring moedigt het publiek de strijders aan en lopen de volgende kandidaten zich alvast warm.

Ik ben eigenlijk meer geboeid door de aanblik van de warmlopers dan van de strijders. Het zijn allemaal slanke maar supergespierde jongens. De meesten dragen waterschoentjes en een trainingsbroek die ze slechts tot net onder hun kruis hebben opgetrokken - hun slip duidelijk zichtbaar. Het is een kunst op zich om ervoor te zorgen dat die broeken blijven hangen op deze manier. Sommigen hebben zich flink behangen met grigri’s, een soort amuletten. Ze rennen zich niet warm, nee, ze swingen zich warm. Op het ritme van de djembe’s bewegen ze zich voort ze met sensuele heupbewegingen – naar het schijnt compleet geconcentreerd op de muziek en de komende strijd.

En dan, heel plots, is het echt pikdonker. De elektriciteit is uitgevallen. De scheidsrechter legt de strijd stil en iedereen wacht rustig af. Alleen de djembespelers trommelen door en ook de warmlopers blijven swingen.

Ik knijp hem er stilletjes tussenuit: tijd voor bed.

De foto is trouwens niet door mij gemaakt – net toen ik wilde gaan fotograferen viel het licht uit – maar hij had die avond gemaakt kunnen zijn. Het origineel vind je hier.

Zondag 22 januari: Koumpentoum – Pete, 103 km

Voor het eerst is het bewolkt. Eventjes maar...


Culinair dieptepunt

Het wordt donker op het erf van de familie Ba. De kinderen scharen zich rond een kampvuurtje en de pater familias rust uit op het bamboebed in het midden van het erf. Ook ik hang maar wat rond en praat met Gallo. Hij is de oudste zoon van de familie en tevens de enige die Frans spreekt. Het is te donker om te lezen of te schrijven en ik barst van de honger. Het enige waar ik aan denk is: wanneer gaan we eten?

Nauwlettend houd ik de vrouwen van de familie in de gaten. Is er iemand aan het koken? Het lijkt er niet op. Ik kan me niet voorstellen dat de familie al gegeten heeft, dus ik wil hen ook niet beledigen door mijn eigen kookspullen te voorschijn te toveren. Ik trek me even terug in mijn tent en eet stilletjes alvast enkele bananen.

Rond een uur of acht verschijnt één van de vrouwen met een metalen kom. "Ha, daar zal je het eten hebben!", roept Gallo enthousiast. Gallo haalt de deksel van de schaal en zet de kom, gevuld met droge couscous, voor mijn voeten neer. Normaal gesproken is dit het moment dat ergens de saus vandaan getoverd wordt, maar Gallo schenkt alleen een beetje water over de couscous. "Smakelijk!", zegt hij en hij steekt een lepel in de schaal.

"Geen pindasaus?", probeer ik nog voorzichtig.

"Nee, dit is couscous met suiker", antwoordt Gallo. "We eten elke avond couscous, meestal met pindasaus, maar soms variëren we wat."

Ik dacht dat ik de grootste culinaire armoede wel achter me had gelaten toen ik Mali uitreed, maar kennelijk had ik het toch mis.

Even later, als ik me weer in mijn tent heb teruggetrokken, duik ik in mijn fietstassen op zoek naar alles wat maar enigszins voedzaam is. Na drie bananen, een sinaasappel, twee partjes la vache qui rit en een hand vol pinda's, ben ik eindelijk voldaan.


Mijn tent op het erf van de familie Ba


Maandag 23 Januari: Pete – Kaolack, 75 km

Huwelijksonderhandelingen


Zoals waarschijnlijk de meeste blanke toeristen sla ik op een dag heel wat huwelijksaanzoeken af. Niet alleen van mannen, maar ook van vrouwen die voorstellen me te koppelen aan hun zoon, neefje of kennis. "Ben je hier alleen? En je bent niet getrouwd? Dan ben je zeker op zoek naar een Senegalese echtgenoot!"

Hoewel ik ervan overtuigd ben dat de doorsnee Senegalees fysiek aantrekkelijker is dan de doorsnee Nederlander, ben ik nog niet zo zeker van de noodzaak om een Senegalese echtgenoot aan de haak te slaan. Maar omdat het vervelend is om steeds maar te moeten weigeren - dan lijkt het ook maar alsof je negatief in het leven staat - ga ik sinds kort geregeld de onderhandeling aan. Als me een huwelijksvoorstel gedaan wordt, wimpel ik de kandidaat voortaan niet meteen af, maar win ik eerst wat meer informatie in: hoeveel schapen, ezels of paarden heeft hij? Is hij de eerstgeboren zoon of de tweede? En, ook niet onbelangrijk, hoeveel echtgenotes heeft hij al?

Uiteindelijk vind ik altijd wel iets om het af te laten ketsen. "Hij heeft dus drie ezels, maar twee daarvan zijn in de bush verdwenen? Wat heb ik daar dan aan?" of "Als ik nou zijn eerste vrouw zou worden, goed, dat zou ik nog overwegen. Maar zijn tweede... ja hoor eens even, daar begin ik niet aan!"


Bij deze een foto van een van de kandidaten ( die met de blauwe hoofdtooi)


en de onbijtmaakster die ons probeerde te koppelen.

Zout

Plots blijk ik al dichter bij zee te zijn dan ik had gedacht. De rivier die langs Kaolack stroomt, is geen rivier maar een zeetong. Grote lege vlaktes, waar het water tijdelijk is opgedroogd, zijn bedekt met een dikke laag zoutkristallen. In de verzengende hitte schrapen vrouwen en mannen uit de nabijgelegen dorpen heel voorzichtig het zout op hoopjes. Voorzichtig om te voorkomen dat de zwarte, olieachtige modder van de rivierbodem het zout vervuilt. Grote bedrijven zullen langskomen om het zout op te kopen. Voor 25 kilo valt er in goede tijden zo’n drie euro per zak te verdienen.


De weg


Restaurant

Zonder vertrouwen in de lokale horeca, kom je hier niet ver. Of je moet zin hebben om elke dag zelfgemaakte pasta met sardientjes te eten. Eerst heb ik nog een beetje mijn twijfels bij restaurant Chez Rama...


... maar de Thiébou-dienne (rijst met vis) is heerlijk.


Restauranthoudster Rama vertelt bovendien smakelijke verhalen over haar ex echtgenoot, die haar met zes kinderen liet zitten. Leuke, trouwe westerse mannen zijn welkom voor een kennismakingsgesprek in haar restaurant.


Dinsdag 24 januari: Kaolack

Smetje


In een sjiek hotel in Kaolack ontmoet ik een ander slag mensen dan ik op een gemiddelde dag tegenkom. Dames en heren met four-wheel drives en glanzende gewaden die nonchalant hun iPhones bewerken, ontwikkelingswerkers die tot ver in de avond over hun laptops gebogen zitten en zakenlui die voetbalkijkend netwerken aan de hotelbar. Tegen de middag waait er ook een groep Franse toeristen aan die in het hotel even een tussenstop houden. Als bleke walvissen liggen de pensionado's aan de rand van het zwembad. Ze zonnen wat, ze eten wat en ze zijn er dan weer vandoor.


Ik vraag me af of de directie eigenlijk wel blij is met ons - toeristen. We zijn natuurlijk goed voor de kas, dus we zullen niet de deur gewezen worden. Maar toch doen we wel wat af aan het opgepoetste karakter van de hotelomgeving. De Fransen met hun dikke blote buiken; ik met mijn waslijntje met halfschone sokken... Zouden ze ons eigenlijk, als ze heel eerlijk waren, niet liever kwijt dan rijk zijn?

Als dat zo is, weten ze het in ieder geval goed te verhullen. De receptionisten en de manager zijn hoffelijk en laten zien dat ze weten wat etiquette is. En de tuinmannen - die zijn alleen maar blij met vrouwelijk publiek. Zij laten hun spierballen rollen en nodigen me uit voor thee en een zwemuitje na werktijd.

Kernwaarden

Tegenover me aan de ontbijttafel zit een officier van de Amerikaanse Nationale Garde, afdeling Vermont. Hij heeft een typisch militair borstelkapsel - het haar aan de zijkanten van het hoofd gemillimeterd en dat wat bovenop groeit rechtovereind - en draagt een camouflagepak en stevige kisten. Toen hij bij mij aanschoof heeft hij zich voorgesteld met zijn volledige naam, rang, functie en land, staat en stad van herkomst. Ik was zo verrast door deze formele begroeting, compleet met tegen elkaar klakkende hakken, dat ik alleen de naam van de staat onthouden heb.

De officier is hier op een missie. In precies twee dagen onderwijst hij de soldaten van Kaolack over ‘kernwaarden’. Dat is hard nodig volgens de officier, want “hier gaan mensen vaak alleen maar het leger in om geld te verdienen.” Geen soldaten in hart en nieren dus.

Het schijnt dat de Amerikaanse Nationale Garde er sinds het eind van de Koude Oorlog wel vaker op uittrekt om andermans soldaten op te leiden. De officier zelf zat, voordat hij naar Senegal kwam, al in Macedonië en Afghanistan.

Voorzichtig merk ik op dat het toch wel lastig zal zijn om er bij de soldaten binnen een tijdsbestek van 48 uur de Amerikaanse kernwaarden in te stampen. En mag je er bovendien niet van uitgaan dat deze mensen hun eigen kernwaarden hebben?

De officier proeft mijn kritische toon en geeft meteen ruiterlijk toe: “Ik zeg niet dat het Amerikaanse leger alles goed doet. Zeker niet. Amerika is net als elk ander land: we doen goede dingen en we doen dingen die minder goed zijn. Maar als de Senegalese overheid graag wil dat wij enkele trainingen komen geven, dan doen wij dat graag.”

Nee, van cultureel imperialisme is geen sprake. In de woorden van de officier: “In Afghanistan zei ik het altijd al tegen mijn jongens: we zijn hier niet om de cultuur te veranderen. Nee, met de cultuur bemoeien we ons niet. We zijn hier om ideeën te veranderen!”

Tja.

Woensdag 25 januari: Kaolack – M’Bour, 115 km

Uien


“De ui is de nationale groente van Senegal.” Dat had ik voor vertrek ergens gelezen. En inderdaad: in Senegal krijg ik héél veel uien voorgeschoteld. Erg lekker trouwens, gestoofd met een pepertje of gesnipperd door de rijst.
Maar wie is er toch op het idee gekomen dat het handiger is om al die uien vanuit Krabbedijke en Wiskerke te importeren dan ze zelf te kweken?


Ballet

Ik was er al door verschillende mensen voor gewaarschuwd: de weg tussen Kaolack en Fattick zit vol kuilen. Nu maakt dat voor een fietser op zich niet zoveel uit, maar de vrachtwagens zwalken inderdaad van de ene kant van de weg naar de andere in een poging de kuilen te ontwijken. De meeste chauffeurs kennen de weg goed en zigzaggen met een slakkengang doelgericht tussen de gaten door. Het gaat zo beheerst dat het bijna iets kunstzinnigs heeft: een ballet voor tweeënzeventig vrachtwagens, achtenvijftig four-wheel drives en een enkele paardenkar.

Tweede moeder


Mama, zo heet tweede dame van rechts. Aan de kant van de weg in Tatadem verkoopt zij sinaasappels, sla en de gedroogde vruchten van de Baobab. Ze nodigt me eerst uit voor een portie vis en rijst en laat me vervolgens een dutje doen op de aan elkaar genaaide rijstzakken, die ze als kleedje gebruikt. “Hier ben ik je moeder”, stelt ze. Ze is dan ook wat teleurgesteld als haar oudste zoon van tweeëntwintig aangeeft dat hij eigenlijk liever niet met mij maar met een ander trouwt.

Een boel baobabs



Donderdag 26 januari: M'bour – Rufisque, 64 km

Black shark


Een man probeert mij schelpen en kettingen te verkopen op het strand van M’Bour. Hij heeft drie argumenten om me tot aankoop te verleiden: 1) toeristen houden van schelpen en kettingen, dus ik ook. 2) Zijn kettingen zijn niet duur. 3) Zijn gezin is arm en dit is hun enige manier aan om de kost te komen.

Ook voert hij ook nog een kleine act op. Hij pakt één van de items uit zijn kraam, de gigantische, opengesperde bek van een soort haai, en houdt die zo vast dat zijn gezicht ermee omlijst wordt. Vervolgens zet hij een grote grijns op en roept hij: “Look! A black shark! Pak een fototoestel! Maak een foto! Snap je hem? Een zwarte haai! Hahaha!”

Ik maak me snel uit de voeten voordat ik met een ballonvis en tien kralenkettingen zit opgezadeld. De foto laat ik dan ook achterwege.

En daar heb ik nu dan eigenlijk weer spijt van.

Toebab

“Geef me een cadeau!” Het is geen vraag, maar een bevel. Een bevel dat ik vaak krijg in Senegal. Al voordat ik de stempel van de Senegalese douanestempel in mijn paspoort had, had ik twee kinderen achter me aan met een duidelijke eis: “Geef me balpen of honderd franc!”

Het is soms wat vermoeiend om als een zak geld gezien te worden. Kinderen zijn kennelijk zo gewend om cadeaus te krijgen van voorbijkomende toebabs, blanken, dat ze ervan uitgaan dat ik hier ben om balpennen uit te delen. Werd ik in Mali meestal begroet met een koor van kinderstemmen dat “Toebab! Toebab!” riep, hoor ik hier even vaak “Cadeau! Cadeau!” als ik langs kom fietsen. Misschien is het dat de Senegalese kinderen gewoon beter Frans spreken.

Maar het zijn niet alleen kinderen die om cadeaus vragen. Een keer ontworstel ik me met moeite aan een groepje vrouwen dat letterlijk aan mij en mijn fiets blijft hangen in een poging wat geld los te krijgen. De vrouwen lachen en hebben er duidelijk lol in, maar het lijkt alsof ze niet door hebben dat ik toch ook echt een mens ben dat het misschien niet zo prettig vindt om belaagd te worden. Ze gedragen zich alsof ik een snoepautomaat ben waar soms iets lekker uit komt rollen als je er maar een flinke tik tegenaan geeft. De vrouwen gillen, trekken aan mijn stuur en slaan me op mijn rug. Het overkomt me maar één keer, maar sindsdien stop ik niet meer voor groepjes jolige vrouwen.

Oude mannen hebben er ook een handje van. Met een uitgestreken gezicht zeggen sommigen, zonder zelfs eerst maar te groeten: “Geef me die sinaasappel! Geef me een cadeau!” De eerste keer dat het me overkomt, word ik er chagrijnig van. Verwachten die mensen serieus dat ik continu mijn bezittingen uitdeel aan de mensheid? Maar later begin ik te vermoeden dat het misschien allemaal niet zo serieus bedoeld is. Als je iets geeft is het natuurlijk mooi meegenomen, maar doe je dat niet dan zijn ze nog best bereid er een grap van te maken:

“Geef me een cadeau!”
“Waarom?”
“Omdat ik een oude man ben.”
“Dus ik moet u geld geven omdat u oud bent?”
“En omdat ik maar weinig geld heb.”
“Maar u heeft toch een gouden tand? Zo arm kunt u toch niet zijn.”
[pauze]
“Wil je dan met me trouwen?”
“Daarvoor bent u wat aan de oude kant, denkt u niet?”
“Nou dat valt wel mee… Ik heb al twee vrouwen. Je kunt het hen vragen: ik ben een goede echtgenoot.”
[pauze]
“Je bent jaloers, he?”
“Op wie?”
“Op mijn vrouwen.”
“Waarom? Omdat ze met u getrouwd zijn?”
“Precies.”
“Hmm, nou nee, eigenlijk niet.”

Daarna fiets ik dan maar weer verder.

Lijken

Soms ruik ik ze eerder dan ik ze zie: de lijken aan de kant van de weg. Normaal gesproken niet erg smakelijk, maar als er dan enkele gieren op zo'n dode ezel zitten, is het wel weer interessant.


Levend zijn die ezels trouwens erg aaibaar


Let op de zebrapootjes van dit exemplaar!

Enkele toevallige ontmoetingen

Langs de kant van de weg in de buurt van Sinndia: “Bent u die dame die vanuit Bamako is komen fietsen? Een vriend van me in Tambacounca had me over u verteld. Die heeft u gesproken in de buurt van Koussanar. U bent ondertussen al lekker opgeschoten zeg…”

In een winkeltje in Dakar: “Klopt het dat u gisteren rond vijf uur ‘s middags door Bargny fietste? Ja, zo’n vijftig kilometer naar het zuiden? Ik was bij mijn familie op bezoek geweest en dacht: hee, wat fietst daar nou?”

En dan Aziz, de vrolijke vrachtwagenchauffeur die keer op keer bleef opduiken:
In Dialokoto: “Sara, ik ben het! Aziz! Van drie dagen geleden op dat bankje in Mako! Ik houd van je, weet je nog? Wil je echt niet met me mee in de vrachtwagen? We moeten toch met de hele colonne richting het westen…”
Later die dag, zeventig kilometer verderop, midden in de grote stad Tambacounda. Ik sta te wachten voor een bankgebouw, Aziz stapt net een taxi uit. “Hee Sara, daar ben je weer! Houd je echt niet van me? Waarom niet? Zwart en wit, dat staat toch mooi samen?”
Twee dagen later, op weg naar Koumpentoum. Ik ben even langs de kant gaan staan om een hele colonne vrachtwagens voorbij te laten. Het blijkt de colonne van Aziz. Niet alleen hij, maar ook zijn collega’s hangen zwaaiend en toeterend vanuit hun raampje. Het voelt bijna alsof het oude vrienden zijn.

Gestoffeerde hotelkamer. Beetje vreemd.



Vrijdag 27 januari: Rufisque – Dakar, 30 km

Staking

Ik ben één van de weinigen in Senegal die direct profiteren van de driedaagse staking van bus- , taxi- en vrachtwagenchauffeurs tegen de hoge olieprijzen in Senegal. Door de staking is het drie dagen relatief rustig op de normaal drukke weg naar die Dakar leidt. Maar nog altijd is het goed oppassen. Met alle zintuigen wijd open (behalve mijn neus dan, die heb ik met een stofmasker afgeschermd) rijd ik tussen de kleine busjes, oude wrakken en fonkelende four-wheel drives de stad in. 30 kilometer is wel genoeg op zo’n dag. En bovendien heb ik mijn doel bereikt: Dakar, het meest westelijke puntje van Afrika.

Zaterdag 28 januari: Dakar

Van de demonstraties tegen president Wade merk ik niets als ik in Dakar ben. Maar ik heb dan ook mijn intrek genomen in een sjofel hotel in een min of meer zelfstandige gemeente binnen Dakar: het dorp Yoff. Het is er lekker rustig en de locatie is bovendien erg handig: twee kilometer van het vliegveld en pal aan zee. Daarom bewonder ik de golven, de zee en de zeearenden, de schapen en de koeien op het strand.


En de pirogues natuurlijk, de vissersboten waarmee mannen soms wel voor vijftien dagen aan een stuk de zee op gaan.


Maar uiteindelijk ben ik in Yoff vooral heel praktisch bezig: ik ga op zoek naar karton om mijn fiets mee te verpakken voor de aanstaande vliegreis. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, want zoveel dozen zijn er niet te krijgen. In fietsenwinkels is geen doos te bekennen en grote apparaten worden vaak tweedehands verkocht (= zonder doos dus). Maar uiteindelijk heb ik geluk en vind ik de verpakking van een koelkast en een flatscreen-televisie.


Het was even knutselen, maar dit is het resultaat.


Ik zal ze missen

Onthand, zo zonder fiets, slenter ik door de straten van Yoff. Ik ben wat weemoedig. De overgang naar Nederland is begonnen.

Ik zal ze missen. De statige, fleurig geklede vrouwen. De kolanoot kauwende mannen. De stoffige maar o zo opgewekte kinderen. De ‘rijst met vis’. De houtvuurtjes na zonsondergang. De nijlpaarden, bavianen, pelikanen en wrattenzwijnen. Het strakke asfalt en het asfalt met kuilen. De pistes van rode aarde en de mulle zandpaden. De vrolijk toeterende vrachtwagenchauffeurs. De baby’s in draagzakken. De chefs du village met hun talloze kinderen en hun grote gastvrijheid. De tamtams en de muziek. De steden die op dorpen lijken. De talloze sinaasappels, bananen en papaja’s. De dutjes langs de kant van de weg. De droogte en de zon. De schapen die op geiten lijken… En vooral, ja bovenal, alle lieve, interessante, vriendelijke en aparte mensen die me een kijkje in hun leven hebben gegeven. Dankzij hen was het een prachtige reis.

3 opmerkingen:

Anoniem zei

En ik ga jouw verhalen missen. Bedankt weer voor het delen! Tabitha

Marieke Wever zei

:)

Anoniem zei

Het was weer een waar genot om mee te mogen lezen :-) Liefs, Jo-Ann