dinsdag 29 juli 2008

Oekraiense ellende

Na twee vrolijke en zonnige dagen in Slowakije fiets ik bij Ub'la de Oekraiense grens over. Ik ben benieuwd naar wat me te wachten staat en zie ernaar uit het land te leren kennen. Vier dagen, drieëntwintig uur en vijfenveertig minuten later ga ik weer de Oekraiens-Slowaakse grens over. Nu niet bij Ub'la maar bij Tchop. En niet per fiets maar per trein. Ik heb zelden zoveel regen gehad en zoveel akelige mensen ontmoet als in deze week en als ik ook nog immobiel raak door een buikgriep ben ik het land zo erg beu dat ik eruit wegvlucht. Misschien is Oekraine best een leuk land maar dat laat ik voorlopig aan anderen over om te ontdekken.

Mijn indrukken van Oekraine zijn dus beperkt, maar toch enkele verhalen.

Naar Odessa

Voordat ik op reis ging, heb ik me ervan verzekerd dat ik geen visum voor Oekraine nodig heb en als ik bij de Oekraiense grens aankom, kan ik er dus redelijk van op aan dat ik zonder problemen het land in zal komen. Maar als ik heel die rij auto's zie staan bij de douane krijg ik toch een beetje de kriebels. Zou ik verder mogen?
Ik ga in de rij staan bij de Oekraiense douanepost en wacht af. Al snel blijkt dat deze rij niet functioneert als een gewone rij. Mensen staan weliswaar aan te schuiven, maar uiteindelijk mogen de mensen wier auto vooraanstaat in de file toch voor gaan. Mijn fiets staat niet in de file maar op de stoep en ik zie aankomen dat ik zo nooit aan de beurt kom.
Medewachtenden vullen formulieren in en ik vraag me af of ik daar zelf ook mee aan de slag moet. Maar waar hebben ze die papiertjes vandaan? Ik bekijk de rij eens goed en probeer in te schatten wie het meest waarschijnlijk Engels of Duits zal spreken. Mijn oog valt op een man van voor in de dertig. “Sorry meneer, spreekt u Engels? Of Duits misschien?”, probeer ik. Ik krijg een niet begrijpende en wat chagrijnige blik terug. Ik wijs naar het formulier dat hij in zijn paspoort heeft gevouwen, wijs vervolgens naar mijn paspoort zonder formulier en houd mijn handen in de lucht bij wijze van vraagteken. De man wijst naar de douanebeambte in haar hokje. Je moet dus eerst in de rij staan voor een formulier, dan uit de rij om het formulier in te vullen en dan weer in de rij om het in te leveren.
Als ik eindelijk het formulier heb bemachtigd, vraag ik me af wat ik moet invullen onder het kopje 'bezoekadres'. Dat heb ik niet en ik laat het dus leeg. Ook de linkerkant van het formulier laat ik leeg, want daarboven staat met dikgedrukte letters 'Departures' en bovendien moet daar precies dezelfde informatie worden ingevuld als onder het kopje 'Arrivals'.
Weer in de rij, nu met formulier.
Mensen om me heen staan stil te wachten. De meesten kijken wat wezenloos voor zich uit. Een man, die eerst achter me in de rij stond maar plotseling voor me staat, probeert met een strak gezicht zo onopvallend mogelijk iets te gebaren naar zijn medepassagiers die even verderop in de auto zitten. Ik ga er meteen van uit dat ze iets in hun schild voeren en bedenk allerlei scenario's variërend van mensenhandel tot drugssmokkel. Dan zie ik dat de man een goudkleurig oorbelletje in de vorm van een playboykonijntje in zijn oor heeft en kan ik hem plotseling niet meer zo serieus nemen.
Als ik weer aan de kop van de rij sta, werpt de douanebeambte een blik op mijn formulier. Meteen geeft ze het terug en zegt met een zuur gezicht iets als “waarom heb je de linkerkant niet ingevuld?” in het Oekraiens.
Ik laat de verklaring achterwegen, ga uit de rij en vul netjes al mijn gegevens nog een keer in. Ik begin de rij ondertussen een beetje beu te worden en ga nu direct vooraan staan. De beambte bekijkt het blaadje iets zorgvuldiger. Ik voel de vraag al aankomen: “Adres?”
Ik wijs naar mijn fiets en probeer uit te leggen dat ik geen vastomlijnd plan heb. Als ze zuur blijft kijken, roep ik de eerste Oekraiense stad die in me opkomt. “Odessa?”
Ze geeft het formulier terug en zegt nogmaals: “Adres”
Ik weet niet wat ik moet doen en sta wat hulpeloos om me heen te kijken. De mensen achter mij beginnen zich er nu mee te bemoeien. Het begint al te schemeren en waarschijnlijk willen zij ook snel de grens over. “Odessa”, roept iemand. En als snel roepen ook anderen me toe: “Odessa!” Ze wijzen naar het blaadje in mijn hand.
Ik doe wat me gezegd wordt en schrijf zowel op de rechter als de linkerkant van het formulier 'Odessa' op.
Tot mijn verbazing is de beambte nu tevreden en heb ik enkele seconden later de permissie om de grens over te steken.
Ik pak mijn fiets, verzet mijn klok een uur en rijd Oekraine in. Genoeg bureaucratie voor vandaag.

God op de fiets

Mijn eerste nacht in Oekraine ben ik te gast bij zuster Klarissa en zuster Ulkrike, twee katholieke nonnen die in het stadje Velykyj Bereznyj wonen. Zuster Klarissa geeft religieonderwijs op school. Ze is vriendelijk maar afstandelijk. Ziekenzuster Ulrike, daarentegen, is vol enthousiasme. Ze heeft in vijfentwintig jaar geen Duits meer gesproken maar doet haar uiterste best om toch in die taal te communiceren. Ook doet ze alles om het naar mijn zin te maken. Een betere ontvangst had ik me moeilijk kunnen voorstellen.
Ik slaap in de sobere kamer van een derde zuster die op het moment in het buitenland is. Zuster Ulrike heeft er een kan water, een waskom, een kan thee en een tandenborstel voor me klaargelegd. Als ik naar de wc wil, moet ik gebruik maken van het 'plonstoilet' in de tuin. Bij toiletgang moet ik wel oppassen voor de hond, vertelt zuster Ulrike me, want die is erg speels en wat overenthousiast.
Dat zuster Ulrike geen woord teveel heeft gezegd, merk ik snel genoeg. Ik heb nog geen twee stappen buiten de deur gedaan of het beest heeft zijn tanden al vrolijk kwispelend in mijn been gezet. Hij bijt niet door, maar aangenaam is anders. Ik probeer hem vriendelijk doch kordaat los te schudden. “Foei hond! Foei!” De hond ziet dit echter als een uitnodiging en springt nu tegen me op en pakt mijn arm beet. Pas als hij na een poosje merkt dat ik niet echt meewerk, druipt hij af.
Ik slaap heerlijk en wordt wakker doordat de zon mijn kamer binnenschijnt (dat beloofd veel goeds, denk ik nog). Nadat ik een poging heb gedaan om het toilet te bereiken zonder door de hond opgegeten te worden, ontdek ik dat het ontbijt al klaar staat: zoutige wentelteefjes met veel ei, gebakken worst, sardientjes in tomatensaus, brood en kaas. Zuster Klarissa heeft een zwart schortje omgebonden om haar zwarte habijt niet te bevuilen.
Na het onbijt maak ik de ketting van mijn fiets schoon (de hond krijgt de poetsdoek die ik hierbij gebruik te pakken en scheurt hem enthousiast aan stukken) en leert zuster Ulrike me enkele woorden Oekraiens. Vervolgens gaat ze met me mee naar de bank en naar de markt om me te helpen om mijn inkopen voor de dag te doen. Ze geeft me de raad om op te passen op stelende zigeuners . Ook moet ik liever geen Oekraiense worst kopen – die is niet te vertrouwen.
“God zij met je”, zegt ze bij het afscheid. “God zit ook op de fiets” vervolgt ze lachend. “ Hij rijdt met je mee!” Dan vraagt ze of de me een kruisje op mijn voorhoofd mag geven en of ik hetzelfde bij haar wil doen. Het ontroert me.
Dan ga ik op weg. Met de bescherming van de hogere machten en krachten.

Nat en koud

Ik heb al heel wat regen gehad deze reis, maar de echte regen begint tijdens mijn eerste dagtocht in Oekraiene. Het begint met wat miezer maar enkele uren later regent het gestaag door. Door de grijze, laaghangende wolken zijn de omliggende heuvels nauwelijks meer zichtbaar. De bloemen in de zomerse bergweiden maken een verlepte indruk. De onverharde wegen veranderen in modderpoelen.
De regen maakt het fietsen er leuker noch makkelijker op. Vooral het fietsen in regenpak bevalt me slecht. Ik krijg het er vreselijk warm in en tijdens een beklimming zweet ik zo hard dat mijn kleren er minstens even nat van worden als van de regen. Maar omdat ik het liever te warm heb dan te koud, houd ik mijn regenjas netjes aan.
Dalen in de regen is evenmin een lolletje. De Oekrainse wegen zitten vol kuilen die met regen in plassen veranderen en soms vrijwel onzichtbaar worden. Met de remmen ingeknepen, sukkel ik langzaam naar beneden, omzichtig de plassen ontwijkend. Door het gebrek aan beweging vervliegt al snel de warmte die tijdens de klim was ontstaan en zit ik te rillen op de fiets.

Tijdens mijn eerste Oekraiense etappe fiets ik over een verlaten modderweg die op mijn kaart stond aangegeven als 'belangrijke verbindingsweg'. De eerste honderd meter van de weg waren nog geasfalteerd, maar het asfalt brokkelde steeds verder af tot er alleen nog her en der een steen in de modder stak bij wijze van verharding. Ik heb die dag al zo'n vijftig kilometer geklommen en zie uit naar de afdaling.
Als ik aan de afdaling begin, krijg ik het echter zo koud dat ik bang ben dat ik ziek ga worden als ik niet snel opwarm en droge kleren aantrek. Gelukkig kom ik na enkele kilometers aan in een dorpje. Behalve een enkele herder waagt niemand zich buiten in dit weer. Ik stap van mijn fiets af en beslis dat ik hier een schuilplaats moet en zal vinden.
Aan de eerste de beste persoon die ik zie, een vrouw in roze legging en een shirt met de tekst 'romantic girl', vraag ik bibberend of ik misschien tien minuten bij haar thuis mag komen opwarmen – met gebaren natuurlijk, want de vrouw spreekt alleen Oekraiens en een beetje Russisch. Ze twijfelt eerst een beetje, maar houdt dan toch de deur voor me open.
In het halletje trek ik mijn regenkleren en schoenen uit en loop daarna de woonkeuken in. Daar heeft de vrouw een stoel voor me bij de kachel gezet. De vrouw en twee mensen van wie ik vermoed dat het haar ouders zijn, staren me aan. Om de situatie iets normaler te maken, stel me voor aan de aanwezigen. De jongere vrouw heet Svetka, haar vader Ivan en haar moeder Maria. Dan ga ik op de mij aangewezen plek zitten. Ik wil me ook graag omkleden, maar wacht het ermee om dat voor te stellen. Voor die mensen is het al raar genoeg dat ze plotseling een rillende fietster in hun keuken hebben zitten.

Het eerste wat me opvalt in het huis, is de sterke geur. Het ruikt alsof er een gorgonzolapizza in de oven staat. Bij nadere bestudering van de kamer zie ik echter niet waar de geur vandaan kan komen. Er is geen oven noch een pizza te zien.
Wel zie ik in de kamer twee grote koelkasten, een tafel een keramieke kachel, een aanrecht en een bank die duidelijk ook wordt gebruikt als bed. Het beddengoed ligt slordig opgevouwen in een hoek. Het is duidelijk geen welvarend huishouden. De meubels zijn versleten en de kamer ziet er wat viezig uit. Boven de oven liggen paddestoelen op rekken te drogen. Zouden die voor de verkoop zijn?
We zwijgen. Ik aan mijn kant van de kachel, Svetka aan de andere kant, Maria op de bank met de kat op schoot en Iwan aan tafel. De stilte wordt alleen verstoord door het gekletter van de regen tegen het raam door Maria die de kat aanhaalt en Iwan die met zijn vingers op tafel trommelt.
Als ik laat zien dat er water uit mijn trui drupt, toont Svetka mij de badkamer waar ik me kan omkleden.
Na een minuut of tien komt er een oude vrouw binnen. Het is Maria's moeder. Ze ploft naast Maria neer op de bank en blijft daar zitten zonder verder nog te bewegen. De vingertoppen van haar rechterhand staan scheef op haar vingers. Ze moet ooit een serieus ongeluk hebben gehad.
De hele situatie is wat onwerkelijk, maar toch ben ik blij hier binnen te zitten. Ik voel al snel hoe mijn hoofd begint te gloeien en na een poosje lukt het me ook om iets voorkomender te zijn als gast. Ik haal mijn Russische woordenboekje en enkele foto's erbij en er ontstaat een soort van dialoog.
Dan is het weer tijd om op te stappen. Het is al zes uur en ik moet nog een kilometer of twintig fietsen voordat ik bij een hotel aankom. Ik schud nogmaals alle handen en beloof een kaartje te sturen vanuit Nederland.
Dan trek ik weer mijn regenpak aan en vervolg ik de afdaling. Nu ik droge kleren aan heb is het dalen een heel stuk aangenamer. Ik zie nog wel een kuil over het hoofd en loop daardoor een slag in mijn wiel op, maar uiteindelijk kom ik heelhuids aan in een dorpje waar enkele hotelletjes moeten zijn. Opdrogen, eten en slapen dat is alles waar ik nu behoefte aan heb.

Hotelheksen

Door de aanhoudende regen- en de onweersbuien ben ik in Oekraine voor het overnachten aangewezen op hotels. Daar kan ik mijn kleren droog krijgen. Kamperen zou daarnaast ook niet echt veilig zijn met al die afbrekende takken en omvallende bomen.
Het overnachten in hotels vind ik op zich geen probleem. Normaalgesproken heb ik er zelfs lol in om op zoek te gaan naar de ideale slaapplaats. In Oekraine word ik echter geconfronteerd met een bijzonder raar en naar hotelwezen. In alle hotels die ik aandoe, huist een rasechte hotelheks. Een hotelheks is makkelijk te herkennen: ze treedt op als receptioniste, trekt een bijzonder zuur gezicht als ze je ziet aankomen en stuurt je het liefst direct de deur weer uit met de boodschap dat het hotel vol zit of gesloten is. Ze doet er in ieder geval alles aan om je duidelijk te maken dat je aanwezigheid is het hotel, de stad en het land uiterst ongewenst is.
Met een hotelheks valt niet te onderhandelen over de prijs van een kamer en het bedrag dat ze vraagt is zonder uitzondering belachelijk hoog. In Polen en Slowakije heb ik zeer comfortabel overnacht in logementen waar ik tussen de vijf en vijftien euro betaalde. De Oekraiense hotelheksen vragen, ook ik het meest oninteressante dorp in de Karpaten, zonder een spier te vertrekken dertig euro voor een overnachting. Kan of wil je dat niet betalen? Pech!
Omdat ik elke dag weer een nieuwe slaapplaats probeer te vinden, kom ik heel wat heksen tegen en al snel beginnen deze ontmoetingen hun tol te eisen: ik word er zelf moe en triestig van. Na een dag ploeteren door de modder, wil ik graag een plek vinden waar ik me een beetje thuis kan voelen en wat bij kan komen. In plaats daarvan voel ik me keer op keer opgenaaid en afgezet.
Van andere ontmoetingen met Oekrainers krijg ik doorgaans ook maar weinig energie. Mensen op het platteland willen nog wel eens een praatje aanknopen, maar de mensen die ik in restaurantjes en winkels tegenkom, zijn vaak uitgesproken wantrouwend en nors. Slechts heel soms lukt het om door deze façade heen te breken en verschijnt er een lachje op het gezicht van mijn gesprekspartner. Het kost echter zoveel moeite om wat vriendelijkheid los te wrikken dat ik er zelf wat uitgeput door begin te raken.
Ik geloof best dat mensen heel gastvrij zullen zijn als je ze eenmaal wat beter kent. Maar als je behoefte hebt aan wat spontane vriendelijkheid, kan je volgens mij toch beter naar een ander land gaan.

Net een auto

Bij de voorbereiding van elke fietsreis breid ik mijn collectie aan reisattributen wat verder uit. Was ik vorige reis vooral in de wolken met mijn flexibele camerastatief, deze reis kan ik niet zonder mijn splinternieuwe achteruitkijkspiegel. Ik heb het spiegeltje links op mijn stuur gemonteerd en kan voortaan op elk gewenst het verkeer achter mij bespieden. Heel handig te midden van de niet al te hoffelijke Oekraiense chauffeurs.
In Nederland zijn het volgens mij vaak bejaarden en slechtzienden die met zo'n spiegel op hun stuur fietsen. Mijn oma kreeg er vroeger ook een nadat ze haar ene oog verloren had. Nu ik zelf tot de categorie spiegelrijders behoor, associeer ik een fietsspiegel niet meer met bejaard of slechtziend. Ik voel me er vooral erg stoer mee. Ik voel me net een auto.

De Oekrainer... enkele observaties

De Oekrainer komt graag agressief over. Dat leid ik af uit het feit dat het merendeel van de Oekraiense autobezitters rondrijdt met geblindeerde ramen. De chauffeurs zelf zijn niet zichtbaar en scheuren anoniem over de wegen. Zelfs de ramen van wrakkige Lada's zijn beplakt met folie. Gezellig is anders. Ik krijg de neiging om op de fiets een zonnebril met spiegelende glazen op de zetten.

De Oekrainer houdt van tijgerprints. Leggings, strakke topjes, en jasjes - allemaal zijn ze in het goud-zwart te bewonderen. Misschien is de tijgerprint hier nooit uit geweest. En het blijft niet bij de tijgerprint... ook de glitter mini-mini rok en de hoerige 15 centimeter hoge naaldhak zijn niet weg te denken uit het straatbeeld.

De Oekrainer houdt van trouwfoto's. Op de zaterdag die ik in de Oekraiense stad Mukaceve doorbreng, bestudeer ik verschillende bruidsparen die bezig zijn te poseren voor hun bruidsreportage. Hij knielend aan haar voeten; zij in een kokket standje halfverscholen achter een zuil; samen in innige omhelzing starend in de verte. Het is misschien niet anders dan wat bruidsparen in heel Europa doen in opdracht van hun fotografen, maar het blijft leuk om naar te kijken. Vooral omdat het de bruidegom meestal maar niet wil lukken om de gespannen grijns van zijn gezicht te krijgen.
Op de uithangborden waarop fotografen hun kunsten tonen om klanten te lokken, zijn trouwfoto's te zien die me wat verwonderen. Op de foto's die hier worden getoond, laat de bruid standaard veel been zien en het liefst ook haar sexy jarretelgordel. En de bruidegom maar bewonderend toekijken.
Jammer dat deze foto's allemaal in de studio zijn gemaakt. Graag had ik ook zo'n fotoshoot eens meegemaakt.

Vaarwel Oekraine

Het kost me heel wat moeite om het besluit te nemen, maar op zaterdagochtend hak ik dan toch de knoop door: ik moet weg uit Oekraine. Ik ben uitgeput door de regen, de hotelheksen en door een buikgriep die op mijn derde dag in Oekraine de kop op heeft gestoken. Hoogstwaarschijnlijk blijven de regens- en onweersbuien de komende week aanhouden – er zijn ondertussen bij overstromingen zo'n zeventien doden gevallen, heb ik gehoord. Ik zie er geen heil in verder te blijven ploeteren.
Het is een moeilijke beslissing, want ik kan moeilijk aanvaarden dat ik wegga uit Oekraine terwijl ik zo'n negatief beeld heb van het land. En dat terwijl ik alleen een klein stukje van het uiterst westerse puntje van het land gezien heb. Maar goed, het zij nou eenmaal zo.

Op het station van Mukaceve ontmoet ik Ettienke, een Groningse die vanuit Moskou met de fiets op weg was naar Berlijn tot ze bij een valpartij haar beide ellebogen kneusde. We besluiten samen met de trein naar de grens te reizen en te kijken of we dezelfde dag nog Slowakije binnen kunnen komen. Het is zo prettig om na vier allenige dagen weer eens een ongedwongen gesprekje te voeren dat mijn vermoeidheid verdwijnt als sneeuw voor de zon. Even twijfel ik zelfs of ik niet toch in Oekraine moet blijven om het land nog een kans te geven. Maar uiteindelijk koop ik een treinkaartje richting Slowakije.

2 opmerkingen:

Tabitha zei

Hey Saar, jammer dat je oekraine met zo'n gevoel weer verlaten hebt.. Ik kan me zomaar voorstellen dat het weer ook invloed heeft op het humeur van de mensen aldaar. Geniet nog even van de tijd in slowakije! Tabitha

Anoniem zei

Hoi Saar,

Het blijft elke keer weer genieten van al je verhalen! Ik hoop dat het weer daar goed is/wordt/blijft! Nog heel veel plezier en een super fijne reis! Groetjes,
Jo-Ann